| Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library |
| Guy de Maupassant Vader en zoon Hautot IntraText CT - Text |
|
|
|
I Voor de deur van het huis, half boerderij, half buitenplaats, zo'n gemengde plattelandsbouw, bijna een heerlijkheid, en waarin tegenwoordig herenboeren wonen, blaften en jankten de honden, vastgebonden aan de appelaars op de hof, bij het zien van de weitassen, gedragen door de jachtopziener en door kinderen. In de grote eetzaal annex keuken aten vader Hautot, zoon Hautot, de belastingontvanger Bermont en notaris Mondaru een hapje en dronken een glas alvorens op jacht te gaan, want het was de dag van de opening. Vader Hautot, trots op alles wat hij bezat, sneed op voorhand op over het wild dat zijn genodigden op zijn gronden zouden aantreffen. Hij was een grote Normandi'r, zo'n krachtige, warmbloedige, donkere man, die appelkarren op hun schouders nemen. Half boer, half heer, rijk, ge'erbiedigd, van invloed en gezag, had hij zijn zoon, Cesar Hautot, tot de derde klas middelbaar laten schoolgaan, om hem iets te leren, en had hij daar een streep onder die studies gezet, uit angst dat zijn zoon een heer zou worden zonder voeling met zijn grond. Cesar Hautot, bijna net zo lang als zijn vader, maar magerder, was een goede, volgzame zoon, overal blij mee, vol bewondering, eerbied en ontzag voor de wil en de mening van vader Hautot. Bermont, de belastingontvanger, een dikkertje op wiens ronde wangen kleine netwerken van paarse aderen zichtbaar waren, zoals zijriviertjes en slingerende beddingen van rivieren op landkaarten, vroeg: 'En haas... is er ook haas?...' Vader Hautot antwoordde: 'Zoveel je maar wilt, vooral op de lage gronden van de Puysatier.' 'En waar beginnen we?' vroeg de notaris, een levensgenieter van een mollige en bleke notaris, ook met een buikje, en gehesen in een spiksplinternieuw jachtkostuum, vorige week nog in Rouaan aangeschaft. 'Wel, ginder, bij de lage gronden. Dan jagen we de patrijs naar de vlakte, en daar sporen we ze dan wel op.' Vader Hautot stond op. Allen deden als hij, pakten hun geweren uit de hoeken, bekeken de bascule, stampvoetend om hun schoeisel goed aan te krijgen dat nogal hard was, nog niet versoepeld door de warmte van het bloed, en daarop vertrokken zij. De honden kwamen overeind aan het eind van hun lijnen en jankten hevig terwijl ze met de voorpoten door de lucht maaiden. Ze gingen op weg naar de lage gronden. Die bestonden uit een valleitje, of liever een grote glooiing in het terrein, met grond van slechte kwaliteit, die om die reden ook onbebouwd was gebleven, doorkruist met geulen vol varens, een uitstekend wildreservaat. De jagers gingen op afstand van elkaar lopen, vader Hautot aan de rechterkant, zoon Hautot aan de linkerkant, en de beide genodigden in het midden. De jachtopziener en de dragers van de weizakken volgden. Het was dat plechtige ogenblik waarop je het eerste schot verwacht, waarop het hart wat sneller slaat, terwijl de vinger zenuwachtig om de haverklap de trekker betast. Plotseling klonk het, dat schot! Vader Hautot had geschoten. Allen bleven staan en zagen een patrijs opvliegen, zich losmakend uit een troep die snel wegvloog, en in een geul vallen, onder dicht struikgewas. De opgewonden jager begon te rennen, sprong, bleef hangen aan bramen die hem hinderden en verdween op zijn beurt in de geul, op zoek naar zijn stuk wild. Vrijwel meteen klonk een tweede schot. 'Ha ha, die deugniet,' riep Bermont, 'hij heeft er vast een haas opgejaagd.' Allen bleven wachten, de blikken gericht op die hoop takken waardoorheen niets te zien was. De notaris zette zijn handen aan zijn mond en riep: 'Heb je d'r?' Vader Hautot antwoordde niet. Toen wendde Cesar zich tot de jachtopziener en zei: 'Ga hem eens helpen, Jozef. Wij moeten lijn houden, we wachten wel.' En Jozef, een oude, magere, knokige boom van een vent, bij wie alle gewrichten uitstaken, vertrok met rustige pas en daalde af in de geul, op zoek naar gaten waar hij zijn voet kon zetten, met de omzichtigheid van een vos. Toen riep hij meteen: 'O, kom gauw! Kom gauw! D'r is 'n ongelok gebeurd.' Allen renden naderbij en doken tussen de bramen. Vader Hautot was op zijn zij gevallen en buiten bewustzijn, met beide handen op zijn buik, waaruit, door zijn door de hagel verscheurde linnen jas heen, lange stroompjes bloed op het gras liepen. Toen hij zijn geweer had losgelaten om de dode patrijs te pakken, die voor hem lag, had hij het wapen laten vallen, waarvan het tweede schot door de schok was afgegaan en zijn darmen had stukgeschoten. Hij werd uit de geul getrokken, ontkleed, en zij zagen een vieze wond waaruit zijn darmen kwamen. Toen ze hem zo goed en zo kwaad als het ging hadden verbonden, droegen ze hem naar huis en wachtten op de dokter die ze hadden laten halen, samen met een priester. Toen de dokter binnenkwam, schudde hij ernstig met zijn hoofd en wendde zich tot zoon Hautot die op een stoel zat te huilen. 'Arme jongen,' zei hij, 'het ziet er niet zo best uit.' Maar toen het verband was gelegd, bewoog de gewonde zijn vingers, deed zijn mond open, toen zijn ogen, keek met troebele, verwilderde blik om zich heen, leek toen in zijn geheugen te zoeken, zich iets te herinneren, te begrijpen, en daarop mompelde hij: 'Godverdikkeme, ik ga d'r aan!' De dokter hield zijn hand vast. 'Welnee, welnee, gewoon een paar dagen rust, 't is niks.' Hautot antwoordde: 'Ik ga d'r aan! Mijn buik is naar de haaien! Ik voel het wel.' En plotseling: 'Ik wil met mijn zoon praten als ik nog tijd heb.' Zoon Hautot snotterde in weerwil van zichzelf en herhaalde als een klein joch: 'Papa, papa, arme papa!' Maar de vader sprak met vastberaden stem: 'Hou op met janken, het is nu niet het moment. Ik moet je spreken. Ga daar zitten, vlakbij, het is zo gebeurd, dan heb ik tenminste rust. En jullie daar, ŽŽn moment graag.' Allen gingen het vertrek uit en lieten de zoon alleen met de vader. Zodra ze alleen waren: 'Luister zoon, je bent vierentwintig, ik hoef er bij jou geen doekjes meer om te winden. Bovendien is dit niet raadselachtiger dan wij het zelf willen maken. Jij weet ook wel dat je moeder zeven jaar geleden is gestorven nietwaar, en dat ik niet ouder ben dan vijfenveertig, ik, omdat ik op mijn negentiende ben getrouwd. Dat klopt toch?' De zoon stamelde: 'Ja, dat klopt.' 'Jouw moeder is dus al zeven jaar dood, en ik ben weduwnaar gebleven. Wel! Een man als ik kan natuurlijk op zijn zevenendertigste geen weduwnaar blijven, of wel?' De zoon antwoordde: 'Nee, dat klopt.' De vader begon te rochelen. Doodsbleek en met een vertrokken gezicht vervolgde hij: 'God, wat doet dat zeer! Wel, je moet het begrijpen. Een man is niet geschapen om alleen te leven, maar ik wilde geen opvolgster van je moeder nemen, want dat had ik haar beloofd. Dus... je begrijpt het?' 'Ja vader.' 'Dus, heb ik een vrouwtje in Rouaan genomen, in de Rue de l'Éperlan, nummer 18, op de derde verdieping, de tweede deur - ik zeg je dat nu, vergeet het niet - maar een vrouwtje dat heel aardig voor mij is geweest, liefhebbend, toegewijd, een echte vrouw, kortom. Kun je het volgen, beste jongen?' 'Ja vader.' 'Wel, als ik kom te overlijden, ben ik haar wat schuldig, maar iets wat zoden aan de dijk zet, zodat ze haar schaapjes op het droge heeft. Je begrijpt het?' 'Ja vader.' 'Ik zeg je dat het een brave meid is, maar echt een brave, en dat ik haar, als jij er niet was geweest, en als de nagedachtenis van je moeder er niet was geweest, en als we niet in dit huis hadden gezeten, waarin we alle drie samen hebben gewoond, dat ik haar dan mee hier naartoe had genomen, en met haar was getrouwd, beslist... luister... luister... beste jongen... ik had een testament kunnen maken... dat heb ik niet gedaan! Dat heb ik niet gewild... want je moet de dingen niet vastleggen... dat soort dingen niet... dat is veel te lastig voor de wettige erfgenamen... en verder stuurt het alles in het honderd... dat richt iedereen te gronde! Zie je, verzegeld papier, laat je er niet toe verleiden, maak er nooit gebruik van. Als ik rijk ben, dan is dat omdat ik het van mijn leven niet gebruikt heb. Begrijp je het, mijn zoon?' 'Ja vader.' 'Luister nog... Luister goed... Ik heb dus geen testament gemaakt... dat wilde ik niet... en verder ken ik je, jij hebt een goed hart, je bent niet hebzuchtig, niet vrekkig, kortom. Ik dacht bij mezelf dat ik jou tegen het eind dit allemaal zou vertellen en je dan zou vragen om dat vrouwtje niet te vergeten: Caroline Donet, Rue de l'Eperlan 18, op de derde verdieping, de tweede deur, niet vergeten... en luister. Ga er meteen heen als ik er niet meer ben - en zorg er dan voor dat zij zich over mijn nagedachtenis niet hoeft te beklagen - jij hebt de middelen - je kunt het... ik laat je genoeg na... Luister... Door de week is ze niet thuis. Ze werkt bij mevrouw Moreau, Rue Beauvoisine. Ga er donderdag heen. Die dag verwacht ze me. Dat is mijn dag, al zes jaar. Arm kleintje, wat zal ze huilen!... Ik zeg je dat alles, omdat ik jou goed ken, mijn zoon. Die dingen vertel je niet in het openbaar, tegen een notaris niet en tegen de pastoor evenmin. Het gebeurt, dat weet iedereen, maar je praat er niet over, behalve als het noodzakelijk is. Dus, geen vreemden in het geheim, niemand die geen familie is, want familie, dat is allen voor ŽŽn. Dat begrijp je?' 'Ja vader.' 'Je belooft het?' 'Ja vader.' 'Je zweert het?' 'Ja vader.' 'Ik verzoek je dringend, ik smeek je, zoon, vergeet het niet. Ik sta erop.' 'Nee vader.' 'Je gaat er zelf heen. Ik wil dat je voor alles zorgt.' 'Ja vader.' 'En verder zul je wel zien.... je zult wel zien wat zij je zal uitleggen. Ik kan je niet meer vertellen. Is dat gezworen?' 'Ja vader.' 'Dat is goed, mijn zoon. Omhels me. Vaarwel. Ik ga de pijp aan Maarten geven, dat weet ik zeker. Zeg ze maar dat ze binnen kunnen komen.' Zoon Hautot omhelsde zijn vader kreunend, maar vervolgens, nog altijd volgzaam, deed hij de deur open, en de priester verscheen, in een witte superplie, met het laatste oliesel. Maar de stervende had de ogen gesloten, en weigerde ze weer open te doen, weigerde te antwoorden, weigerde om ook maar door een teken aan te geven dat hij nog bij zinnen was. Hij had genoeg gesproken, die man, hij kon niet meer. Bovendien had hij momenteel vrede in zijn hart, hij wilde ook in vrede sterven. Waarom zou hij moeten biechten bij de afgevaardigde van God, omdat hij al had gebiecht bij zijn zoon, die bovendien familie was? Hij werd bediend, gezuiverd, geabsolveerd, temidden van zijn vrienden en zijn knielende personeel, zonder dat een enkele beweging van zijn gezicht verried dat hij nog leefde. Hij stierf tegen middernacht, na vier uur schokken die op vreselijk lijden duidden.
|
Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library |
Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License |