Part

  1 Inl|                in hoge mate de sympathie en het vertrouwen van de keizer
  2 Inl|                  de dag met slapen door, en de nacht met de plichten
  3 Inl|                 de nacht met de plichten en genietingen van het leven.
  4 Inl|            Bovendien werden zijn woorden en daden, hoe ongegeneerder
  5 Inl|               als proconsul van Bithynië en later als consul, een krachtig
  6 Inl|                 consul, een krachtig man en volkomen voor zijn ambt
  7 Inl|        fragmenten behoorden tot het 15de en 16de boek. De eerste uitgave
  8 Inl|                 te Riom, werd aangetoond en ook nu is Petronius slechts
  9 Inl|                  rijkdom heeft verworven en elke gelegenheid aangrijpt,
 10 Inl|         karaktertekenaar met Shakespeare en Cervantes op één lijn heeft
 11 Inl|          Ascyltos, ,,de onvermoeibare'', en Giton, ,,het buurjongetje'',
 12 Inl|               een schone lievelingsslaaf en onafscheidelijke metgezel
 13 Inl|                met dat van zakkenrollers en zijn er steeds op uit, ergens
 14 Inl|                Agamemnon er zijn meester en de drie jongelui aan herinneren,
 15   I|                de derde dag aangebroken, en daarmee het in uitzicht
 16   I|              door zoveel slagen gehavend en gewond hadden we meer lust
 17   I|              kwam een slaaf naar ons toe en zeide: ,,Weet u niet, bij
 18   I|            uurwerk in zijn eetzaal staan en een trompetter, die de opdracht
 19   I|               kleedden ons met zorg aan, en verzochten Giton, die deze
 20   I|             zeggen wat moppen te tappen, en ons bij groepjes van andere
 21   I|                  had er een zak vol van, en deelde nieuwe ballen aan
 22   I|                  handen der spelers heen en weer vlogen, maar die, welke
 23   I|                 Menelaus op ons toelopen en zei: "Dit is nu de man,
 24   I|                  om zijn hand te wassen, en droogde zijn vochtige vingers
 25   I|                wij gingen dus in het bad en na een paar minuten flink
 26   I|              voor zijn ogen Falernerwijn en, daar zij al twistend het
 27   I|                 in een scharlaken mantel en deed hem in een draagstoel
 28   I|                  in livrei vooruitgingen en een handwagentje, waarin
 29   I|         miniatuur-fluit zijn hoofdeinde, en alsof hij hem een geheim
 30   I|               het bewonderen volgden wij en kwamen tezamen met Agamemnon
 31   I|              jonge slaaf met lange haren en een Mercuriusstaf in de
 32   I|               hoe hij had leren rekenen, en rentmeester geworden was.
 33   I|             enorme hoorn des overvloeds, en de drie Schikgodinnen, die
 34   I|               een hoek een grote kast op en daarin 'n kapelletje; hierin
 35   I|                  een marmeren Venusbeeld en een tamelijk groot gouden
 36   I|                 midden waren. ,,De Ilias en de Odyssee'', zei hij, ,,
 37   I|                 de Odyssee'', zei hij, ,,en het gladiatorspel van Laenas.''
 38   I|                die aan de zoldering hing en aan de beide deurposten
 39   I|                  mij goed herinner: ,,30 en 31 December dineert onze
 40   I|                waren de loop van de maan en de voorstelling der zeven
 41   I|         geschilderd, terwijl de gunstige en ongunstige dagen met verschillend
 42   I|               rechtervoet dus weer terug en verzochten de rentmeester,
 43   I|                 hoofd met trotse blik op en sprak: ,,Niet zozeer het
 44   I|                grote goedheid onze dank, en, toen wij de eetzaal binnentraden,
 45   I|                  genade gesmeekt hadden, en overstelpte ons tot onze
 46   I|                  dan aan tafel aanliggen en Alexandrijnse slaven goten
 47   I|               onze voeten te behandelen, en verwijderden met buitengewone
 48   I|             stroopnagels van onze tenen. En zelfs bij dit onaangename
 49   I|              zien, of alle slaven zongen en vroeg dus wat te drinken.
 50   I|                  minder snerpend gezang, en zo deed ieder, aan wie wij
 51   I|                  rand de naam Trimalchio en het gewicht aan zilver was
 52   I|               bruggetjes lagen met honig en papaverzaad bestrooide hazelmuizen,
 53   I|            rooster rokende braadworsten, en onder de rooster damastpruimen
 54   I|               muziek naar tafel gedragen en op tot barstens toe gevulde
 55   I|          scharlaken mantel te voorschijn en om zijn hals, die geheel
 56   I|                een grote, vergulden ring en aan het laatste lid van
 57   I|            ijzeren sterretjes bezet was. En, om nog meer kostbaarheden
 58   I|          versierd met een gouden armband en een ivoren ring, die door
 59   I|         speelbord van terebinthisch hout en met kristallen dobbelstenen;
 60   I|                 kristallen dobbelstenen; en nu zag ik het allermooiste:
 61   I|         allermooiste: inplaats van witte en zwarte stenen had hij gouden
 62   I|             zwarte stenen had hij gouden en zilveren munten. Terwijl
 63   I|              onderste kaliber gebruikte, en wij nog met 't voorgerecht
 64   I|        Tegelijkertijd kwamen twee slaven en begonnen, onder muzikale
 65   I|               pauweneieren te voorschijn en verdeelden die onder de
 66   I|             keerde zich naar dit gerecht en zeide: ,,Vrienden, ik heb
 67   I|             onder deze kip laten leggen, en ik ben warempel bang, dat
 68   I|                  dan een half pond woog, en daarmee maakten wij de eieren
 69   I|                   pelde ik het ei geheel en vond een vette bastaardnachtegaal,
 70   I|                 met zijn spel opgehouden en had van alle spijzen wat
 71   I|                 orkest een teken gegeven en de gerechten werden door
 72   I|                 op de grond gevallen was en een slaaf het opraapte,
 73   I|                  knaap een oorvijg geven en beval het weer op de grond
 74   I|                 t huisraad moest zorgen, en veegde de zilveren schotel
 75   I|               amphitheater zand strooit, en goten wijn over onze handen,
 76   I|                  Trimalchio in de handen en sprak: ,,Ach, zo leeft dan
 77   I|                zulk een goede wijn niet, en toch had ik toen veel deftiger
 78   I|                  Terwijl wij dus dronken en het prachtige gastmaal hevig
 79   I|        vervaardigd was, dat de ledematen en de wervels buigzaam waren
 80   I|                de wervels buigzaam waren en naar alle kanten konden
 81   I|             enige malen op de tafel heen en weer geworpen had en het
 82   I|                heen en weer geworpen had en het door de beweegbare verbinding
 83  II|                  de tweelingen testikels en nieren, op de kreeft een
 84  II|               een taart in de ene schaal en een koek in de andere, op
 85  II|               lag een graszode, met gras en al uitgesneden en daarop
 86  II|               met gras en al uitgesneden en daarop een honingraat. Een
 87  II|               zilveren bakpan brood rond en zong met een afschuwelijke
 88  II|                  t orkest al dansend toe en verwijderden daarop 't bovenste
 89  II|               gevogelte, een varkensuier en een in 't midden met veren
 90  II|                 de slaven 't sein gaven) en vielen lachend op de uitgelezen
 91  II|             minder in zijn schik dan wij en riep: ,,Deelman!'' Dadelijk
 92  II|                voorsnijder naar de tafel en sneed onder rhythmische
 93  II|            woordspeling in verband stond en schaamde mij niet, mijn
 94  II|         dergelijke toneeltjes bijgewoond en zeide: ,,Zie je die slaaf,
 95  II|                  naam van de voorsnijder en geeft hem tevens zijn order."~
 96  II|                tenslotte niets meer eten en wendde mij dus tot mijn
 97  II|                begon van 't begin af aan en vroeg, wie die dame was,
 98  II|                  die daar voortdurend op en neer liep. ,,Dat is de vrouw
 99  II|                hij; ,,zij heet Fortunata en meet haar geld met schepels.
100  II|                  haar geld met schepels. En kort geleden, wat was zij
101  II|                aannemen. Nu is zij - hoe en waarom weten de Goden -
102  II|                  Goden - als in de hemel en Trimalchio's rechterhand.
103  II|                  dat loeder let op alles en is overal, waar je haar
104  II|                Zij drinkt niet, is matig en niet dom, maar ze heeft
105  II|                  mag, daar houdt ze van, en aan wie ze 't land heeft,
106  II|              wouwen maar vliegen kunnen, en geld als water. In 't kamertje
107  II|                  hele vermogen bedraagt. En dan zijn slaven! Deksels!
108  II|                een muizenhol te drijven. En denk maar niet, dat hij
109  II|                 rammen uit Tarente komen en kruiste ze met zijn eigen
110  II|                nog wat veredeld worden." En hoor eens, dezer dagen liet
111  II|                   Maar hij is wat poenig en wil zelf 't beste hebben.
112  II|                  zelf een huis gekocht." En die daar, die op de plaats
113  II|     vrijgelatenen hebben hem uitgezogen. En onthoud wel; vele koks bederven
114  II|               vele koks bederven de pap, en begint de zaak scheef te
115  II|               zijn de vrienden gevlogen. En wat een fatsoenlijk vak
116  II|                   wilde zwijnen met huid en al, gebak en wild, ja, hij
117  II|            zwijnen met huid en al, gebak en wild, ja, hij hield er de
118  II|                  hield er de nodige koks en pasteibakkers op na. Er
119  II|                  toen de zaken misliepen en hij bang werd, dat de schuldeisers
120  II|                 zich de wijn goed smaken en het gesprek begon algemeen
121  II|                  leunde op zijn elleboog en sprak: ,,Deze wijn moet
122  II|                  hij koppig, onbeschaamd en scherp. Onder dit teken
123  II|                 worden veel schoolvossen en schaapskoppen geboren."
124  II|               van onze sterrenwichelaar, en hij ging voort: ,,Daarna
125  II|          achteruit trappen, ossenherders en lieden, die voor hun eigen
126  II|         tweespannen, ossen, de testikels en mensen, die van twee wallen
127  II|                ik op verscheidene benen, en heb ik veel eigendommen
128  II|                 veel eigendommen te land en ter zee; want de kreeft
129  II|            kreeft voelt zich op 't droge en in 't water even goed thuis.
130  II|                worden veelvraten geboren en heerszuchtigen. In de Maagd
131  II|      heerszuchtigen. In de Maagd vrouwen en weggelopen en geboeide slaven;
132  II|              Maagd vrouwen en weggelopen en geboeide slaven; onder de
133  II|               handelaars in parfumerieën en allen, die wat afwegen.
134  II|                de Schorpioen giftmengers en moordenaars; onder de Schutter
135  II|               die naar de groente kijken en 't spek meepakken; onder
136  II|                in de Waterman kroegbazen en domkoppen; onder de Vissen
137  II|          domkoppen; onder de Vissen koks en professoren in de redenaarskunst.
138  II|                wereld als een molensteen en deze beweging brengt ons
139  II|           graszode in het midden aangaat en die honingraat daar boven
140  II|                is 't hart van het heelal en bevat alle goede dingen,
141  II|                 wij allen tegelijkertijd en terwijl wij onze handen
142  II|              zwoeren wij, dat Hipparchus en Aratus bij hem vergeleken
143  II|             jachtnetten waren geborduurd en jagers met jachtsprieten
144  II|                 jagers met jachtsprieten en alles wat bij een jacht
145  II|          verschrikkelijk lawaai ontstond en Spartaanse honden rondom
146  II|              lange baard, die beenkappen en een veelkleurig-geweven
147  II|                   Deze trok een jachtmes en gaf de ever een flinke stoot
148  II|                flinke stoot in de zijde: en ziet, uit de wonde vlogen
149  II|            stonden met lijmroeden gereed en vingen ze in een ogenblik
150  II|                aan de slagtanden hingen, en verdeelden de verse en gedroogde
151  II|                   en verdeelden de verse en gedroogde dadels nauwkeurig
152  II|                  verwenste mijn domheid, en deed geen enkele vraag meer,
153  II|                mooi knaapje met wijnloof en klimop bekransd, die nu
154  II|                  mandje vol druiven rond en zong met een hoog stemmetje
155  II|                  Trimalchio zich tot hem en zei: ,,Dionysus, je zult
156  II|                  de muts van de ever af, en zette hem op zijn eigen
157  II|                 prezen deze woordspeling en kusten de knaap, die bij
158  II|              gerecht stond Trimalchio op en verwijderde zich even. Daar
159  II|                waard dan luchtbelletjes. En hoe zou 't wel met hem gegaan
160  II|                   geen kruimeltje brood. En toch is hij daar heengegaan,
161  II|             anders dan je wat moed geven en je geruststellen. Met dat
162  II|                begon vervelend te worden en Phileros riep: ,,Laat ons
163  II|             recht had; hij heeft geleefd en is gestorven als een fatsoenlijk
164  II|             begon met een halve stuiver, en hij zou er geen bezwaar
165  II|                een dikke 100.000 naliet, en alles in baar geld. Een
166  II|                 zijn vrienden, goedgeefs en wat at je lekker bij hem!
167  II|               stal dan hem vermaakt was. En tenslotte liet die stommeling,
168  II|                 alsof het orakels waren, en die hebben hem verkeerde
169  II|                alles op rolletjes loopt. En hoeveel jaren geloven jullie,
170  II|                 kende de man jaren lang, en tot het laatste liep hij
171  II|                  van alle markten thuis. En ik neem het hem niet kwalijk;
172  II|             brood kunnen machtig worden. En wat houdt die droogte lang
173  II|                  hoeveel hoorns" spelen. En in 't raadhuis, wat zei
174  II|                  stem tot trompetgeluid. En hij kreeg het er niet warm
175  II|              kreeg het er niet warm van, en hij spuwde niet onder 't
176  II|                net zo min als de Perzen. En wat beantwoordde hij vriendelijk
177  II|               kleiner dan een koeienoog. En 't wordt met de dag slechter.
178  II|                geen drie vijgen waard is en zelf liever een as verdient,
179  II|          binnenshuis een lekker leventje en zijn dagelijks inkomen is
180  II|              maar thuis zijn wij leeuwen en daarbuiten doodgewone vossen.
181  II|                tot op mijn hemd verteerd en als deze droogte aanhoudt,
182  II|              geeft een zier om Juppiter, en allen bedekken hun ogen
183  II|                  allen bedekken hun ogen en tellen hun geld. Vroeger
184  II|           Capitool met fladderende haren en reine harten om Juppiter
185  II|             Juppiter om regen te bidden; en dan viel de regen dadelijk
186  II|                  dan regende het nooit), en de hele wereld was blij,
187  II|                  merendeel vrijgelatene. En onze vriend Titus is in
188  II|                amphitheater 't zien kan. En hij heeft er 't geld voor,
189  II|                  niet minder van worden, en zijn naam blijft eeuwig
190  II|                een troepje boerenkinkels en een vrouw gehuurd, die op
191  II|                 op een wagen zal vechten en de rentmeester van Glycon,
192  II|                  de jaloerse echtgenoten en de minnaars. Maar dat die
193  II|              leeft, is hij gebrandmerkt, en alleen de Hades kan hem
194  II|                  maaltijd zal aanbieden, en twee denaren voor mij en
195  II|                 en twee denaren voor mij en mijn vrienden. Als hij dat
196  II|                 van een ander lijk innam en had doorgehakte kniepezen.
197  II|               met wat pit, een Thraciër; en die vocht nog volgens een
198  II|         voorstelling gegeven" zei hij. ,,En ik heb geapplaudisseerd"
199  II|                staat in stand boven ons, en daarom lacht u om die verhalen
200  II|                  mijn boerderij te komen en mijn huisjes te bekijken.
201  II|                 onze buik mee te vullen. En mijn zoontje wordt al zo
202  II|                   t Is een vlugge jongen en een goed soort jongen, al
203  II|               putters de nek omgedraaid, en hem verteld, dat de wezel
204  II|               weer een ander stokpaardje en zo doet hij nu niets liever
205  II|                al met 't Grieks begonnen en hij krijgt al plezier in '
206  II|                geen voet bij stuk houdt, en zelden komt. Hij heeft wel
207  II|                  zich veel moeite geeft, en hij leert mijn zoontje meer
208  II|             feestdagen bij ons aan huis, en is tevreden met alles, wat
209  II|             betekent een schat van geld, en wat je geleerd hebt, dat
210  II|              zich het voorhoofd afveegde en zijn handen met wat reukwater
211  II|                 beetje granaatappelschil en hars opgelost in azijn me
212  II|                  wat hij niet laten kan, en dokters keuren af, dat men
213  II|                af, dat men zich inhoudt. En zo nodig, alles staat buiten
214  II|                  klaar, water, stilletje en de andere kleinigheden.
215  II|            gassen stijgen naar het hoofd en veroorzaken een zinking
216  II|                voor zijn vriendelijkheid en inschikkelijkheid en onderdrukten
217  II|     vriendelijkheid en inschikkelijkheid en onderdrukten telkens ons
218  II|                  varkens, van muilbanden en belletjes voorzien, in de
219  II|                jaar oud, het andere drie en het derde zes jaar." Ik
220  II|        kunstemakers waren binnen gekomen en dat de varkentjes, zoals
221  II|           maaltijd? Want een kip, ragout en andere dergelijke wissewasjes
222  II|                 dadelijk een kok roepen, en gebood hem, zonder onze
223  II|             slavenafdeling behoor jij?", en toen hij antwoordde: ,,Tot
224  II|              vriendelijke blik naar ons, en zei: ,,Als de wijn jullie
225  II|                bezittingen bij Tarracina en Tarentum grenzen. Ik ben
226  II|                   één van Griekse boeken en één van Latijnse. Zeg me
227  II|         Agamemnon antwoordde: ,,Een arme en rijke man waren vijanden,"
228  II|              Rake vraag", zei Agamemnon, en vertelde hem de korte inhoud
229  II|                   om over te debatteren, en als het niet gebeurd is,
230  II|          helemaal niets."~ Toen wij deze en andere geestigheden met
231  II|              twaalf werken van Hercules, en die geschiedenis van Ulysses,
232  II|                ik die dingen in Homerus. En ik zag met eigen ogen de
233  II|            Sibylle in een flesje hangen, en telkens wanneer de kinderen
234  II|                  de vlugheid van de kok, en zwoeren, dat zelfs een haan
235  II|                  bij de tafel kwam staan en zeide dat hij vergeten had
236  II|                vergeten had er wat peper en komijn bij te doen. Trek
237  II|                   Ik echter bleef streng en onbarmhartig en kon mij
238  II|             bleef streng en onbarmhartig en kon mij niet inhouden maar
239  II|                Trimalchio deed dit niet, en zeide, toen zijn gelaat
240  II|                  weer aan, nam zijn mes, en sneed met voorzichtige hand
241  II|                de buik van 't zwijn hier en daar open; en ziet, het
242  II|                 zwijn hier en daar open; en ziet, het duurde niet lang,
243  II|                werden, rolden saucijsjes en bloedworsten. De slaven
244  II|                  in de handen te klappen en wensten Gaius geluk. De
245  II|                  met een zilveren krans, en tevens reikte men hem een
246  II|                het koop, Corinthus heet. En wat is nu Corinthisch anders
247  II|          listeling, alle bronzen, gouden en zilveren beelden op één
248  II|                  één brandstapel brengen en in brand steken. Toen smolten
249  II|               namen de goudsmeden wat af en maakten er borden, schotels
250  II|              maakten er borden, schotels en beeldjes van. Zo is dus
251  II|              ontstaan: het is geen vlees en geen vis. Jullie zult het
252  II|                  de keizer in handen gaf en liet hem op de grond vallen.
253  II|             hamertje uit zijn kleedplooi en gaf de beker op zijn gemak
254  II|          Cassandra haar zonen vermoordt. En de dode kinderen liggen
255  II|                de gevechten van Hermeros en Petraites op een van mijn
256  II|                   Trimalchio zag hem aan en zeide: ,,Vooruit, gauw geef
257  II|           Dadelijk trok de knaap een lip en smeekte genade, maar Trimalchio
258  II|                  op ons verzoek de straf en de slaaf, die vergiffenis
259  II|               prezen de aardigheid zeer, en vooral Agamemnon, die wel
260  II|                 steeds met meer genoegen en riep reeds half dronken: ,,
261  II|               zijn handen boven 't hoofd en bootste de pantomimendanser
262  II|                 werd Trimalchio woedend, en sprak: ,,Wanneer voor mij
263  II|               land gekocht is, waar ook, en ik heb dat niet binnen een
264  II|                 der aedilen voorgelezen, en testamenten van jachtopzieners,
265  II|                kamer van een badmeester, en die van een opzichter van
266  II|               beschuldiging was gesteld, en dat het vonnis was geveld
267  II|                  zich met een ladder op, en liet een knaap op de sporten
268  II|                  een knaap op de sporten en op 't hoogste punt van de
269  II|                punt van de ladder dansen en zingen; daarop liet hij
270  II|               brandende hoepels springen en gelastte hem een aarden
271  II|                 wereld, van koorddansers en van hoornblazers; alle andere
272  II|          Atellaanse klucht laten spelen, en mijn Griekse fluitist moest
273  II|         bedienden schreeuwden van angst, en de gasten niet minder, niet
274  II|            onaangenaam einde kon hebben, en dat zij misschien gedwongen
275  II|                  Trimalchio luid kreunde en zijn arm bekeek, alsof hij
276  II|                kwamen dokters aanhollen, en vóór allen uit liep zijn
277  II|           Fortunata met loshangend haar, en een drinkbeker in de hand,
278  II|              wierp zich voor onze voeten en bad om vergiffenis. Ik vond
279  II|                 vervelende geschiedenis, en was bang dat op deze smeekbeden
280  II|                instemming met deze daad, en babbelden over de wisselvalligheid
281  II|          dadelijk om een schrijftafeltje en, zonder zich lang met denken
282 III|                 t gesprek op de dichters en lange tijd werd de eerste
283 III|                  uw mening russen Cicero en Publilius?Ik vind dat de
284 III|             eerste meer welsprekend was, en dat de laatste meer levenslessen
285 III|                  sterft d'Afrikaanse kip en de kapoen;~ Ja zelfs de
286 III|                 Die 's winters wegtrekt, en de zoele lente brengt -~
287  IV|                 Ik geloof, dat de dokter en de geldwisselaar het lastigste
288  IV|                 achter hun ribben hebben en wanneer de koorts op komst
289  IV|            betreft, vind ik dat de ossen en de schapen het meest arbeidzaam
290  IV|                  hun wol kunnen pronken. En is dat niet schandelijk?
291  IV|                Een mens eet schapenvlees en draagt een wollen tunica.
292  IV|                beker rondgegeven werden, en een daartoe bestemde slaaf
293  IV|              aangeboden. ,,Late wijsheid en smaad": zoute hardgebakken
294  IV|              zoute hardgebakken broodjes en een staak met een appel. ,,
295  IV|              staak met een appel. ,,Prei en perziken": een zweep en
296  IV|                  en perziken": een zweep en een dolk. ,,Mussen en een
297  IV|              zweep en een dolk. ,,Mussen en een vliegenvanger": rozijnen
298  IV|                 vliegenvanger": rozijnen en Attische honing. ,,Iets
299  IV|               honing. ,,Iets voor diners en 't zakenleven": een stukje
300  IV|            zakenleven": een stukje vlees en schrijfgereedschap. ,,Iets
301  IV|  schrijfgereedschap. ,,Iets voor de hond en voor de voet": de gast kreeg
302  IV|                   de gast kreeg een haas en een sandaal. ,,Een muraena (
303  IV|                     Een muraena (zeevis) en een letter": een muis die
304  IV|                  een kikker was gebonden en een bundel beetwortels.~
305  IV|            geheven handen alles bespotte en lachte, tot hij tranen in
306  IV|                Je bent natuurlijk rijker en je dineert gewoonlijk beter
307  IV|                 in slavernij begeven heb en liever Romeins burger wilde
308  IV|                  dan tweemaal per middag en tweemaal 's avonds. Ik heb
309  IV|                 te maken, een hooggeëerd en waardig man, wiens vingernagel
310  IV|               mensen in huis, die mij nu en dan beentje wilden lichten,
311  IV|                scheldwoorden tegen Giton en zeide: ,,Begin jij ook al
312  IV|                 Juppiter eens voelt, jij en die man, die je niet onder
313  IV|                  me haast niet inhouden, en toch ben ik geen driftkop,
314  IV|                meester niet klein krijg, en jou zal ik ook niet sparen,
315  IV|                dat je mooie, lange haren en je meester, die geen 2 duiten
316  IV|                Athene 't jou betaald zet en ook je meester, die je '
317  IV|              geen wiskunde, geen kritiek en andere dwaasheid geleerd,
318  IV|                 lezen, ik kan munt, maat en gewicht door 100 delen.
319  IV|             gewicht door 100 delen. Kort en goed, laten wij, als je
320  IV|                deel van ons beweegt zich en komt toch niet van zijn
321  IV|                 welk deel van ons groeit en wordt kleiner". Je loopt
322  IV|                  kleiner". Je loopt heen en weer, staat met je mond
323  IV|             staat met je mond vol tanden en tobt je af als een muis
324  IV|                  wij naar het Forum gaan en geld ter leen vragen. Dan
325  IV|                 moge ik goede zaken doen en onder zo gelukkige omstandigheden
326  IV|                 wij ons liever amuseren, en jij, Hermeros, spaar dat
327  IV|                 kraaide je ook kukeleku, en verstand had je niet. Laat
328  IV|                weer opnieuw vrolijk zijn en eens naar de Homeristen
329  IV|                  trad een schaar Grieken en Trojanen binnen, die met
330  IV|               ging op een kussen zitten, en toen de Homeristen een dialoog
331  IV|               eens twee broers, Diomedes en Ganymedes; die hadden een
332  IV|            Helena. Agamemnon roofde haar en bood in haar plaats aan
333  IV|              vertelt nu, hoe de Trojanen en Parentijnen met elkaar vochten.
334  IV|             Agamemnon won het natuurlijk en gaf zijn dochter Iphigenia
335  IV|           Homeristen een geschreeuw aan, en midden tussen de door elkaar
336  IV|        waanzinnige, op het kalf inhakte. En terwijl hij nu eens met
337  IV|                stukken vlees aan de punt en verdeelde het kalf onder
338  IV|             begon de zoldering te kraken en de hele zaal dreunde. Ontsteld
339  IV|                dan ik, rekten hun halzen en keken vol spanning naar
340  IV|               hemel hun zou verkondigen. En ziet, plotseling ging het
341  IV|                  ging het plafond open., en een ontzaglijk grote hoepel,
342  IV|               blad met koeken geplaatst, en in het midden stond een
343  IV|             schort allerlei boomvruchten en druiven droeg. Wij strekten
344  IV|               naar deze lekkernijen uit, en dadelijk daarna verwekte
345  IV|                  vrolijkheid. Uit koeken en vruchten spoot bij de geringste
346  IV|             geringste aanraking safraan, en deze onaangename vloeistof
347  IV|            betekenis had, stonden wij op en zeiden: ,,De keizer, de
348  IV|                 gaf een schaal wijn rond en riep: ,,Goden, zijt ons
349  IV|         Profijtman, de tweede Geluksman, en de derde Winstman heette.
350  IV|               buste van Trimalchio zelf, en daar ieder dit beeldje eerbiedig
351  IV|                 zichzelf ,,goed verstand en goede gezondheid" had gewenst,
352  IV|              Trimalchio zich tot Niceros en zeide: ,,Gewoonlijk ben
353  IV|              niet waarom je zo stil bent en geen mond opendoet. Vertel
354  IV|             spaarde, ging in haar beurs, en nooit heeft ze mij een stuiver
355  IV|                  de gelegenheid gebruik, en haalde een gast, die wij
356  IV|               zat een deuntje te neuriën en telde de grafstenen. Toen
357  IV|                  dat hij zich uitkleedde en al zijn kleren aan de kant
358  IV|               een dode; want hij waterde en kringetje rondom zijn kleren
359  IV|             kringetje rondom zijn kleren en veranderde plotseling in
360  IV|                liet hij een gehuil horen en vluchtte het bos in. Eerst
361  IV|                  Toch trok ik mijn dolk, en de hele weg langs, sloeg
362  IV|          verwonderd, dat ik zo laat kwam en zei: ,,Wanneer je vroeger
363  IV|                  het erf binnengedrongen en heeft alle vee als een slager
364  IV|                  in zijn bed als een os, en een geneesheer verbond zijn
365  IV|                 de man een weerwolf was, en van dat ogenblik af kon
366  IV|                  want hij is betrouwbaar en geen kletser. Maar ik zal
367  IV|            bedroefde moeder hem beweende en een groot aantal onzer aan
368  IV|                  trok dapper zijn zwaard en liep naar buiten, nadat
369  IV|               zijn hele lichaam was bont en blauw, alsof hij afgeranseld
370  IV|              sloten wij de huisdeur weer en gingen aan het wek, maar
371  IV|                  hadden de knaap geroofd en er een strooien pop voor
372  IV|                de vampiers van de nacht, en zij keren alles ondersteboven.
373  IV|                 zijn gezonde kleur terug en stierf enige dagen later
374  IV|            verbaasd als goedgelovig aan, en terwijl wij de tafel kusten,
375  IV|                lampen brandden dan eerst en dat de aanblik van de gehele
376  IV|                  uit toneelstukken voor, en zong liedjes. Helaas, al
377  IV|               zingen. Dansen, voordragen en imiteren van de gesprekken
378  IV|                hij zijn hand aan de mond en floot een afschuwelijk deuntje,
379  IV|                een knaap met zere ogen , en vuile tanden, die een zwart,
380  IV|                half brood op de rustbank en voerde het dier, ofschoon
381  IV|               aan zijn plicht herinnerd, en beval Scylax te halen ,,
382  IV|                  beschermer van het huis en zijn bewoners ", zoals hij
383  IV|                 een stuk wittebrood toe, en zei: ,,Niemand in 't hele
384  IV|                 zijn hondje op de grond, en hitste het op, om Scylax
385  IV|                  een afschuwelijk geblaf en scheurde Croesus' "Parel"
386  IV|                 Parel" bijna in stukken. En de storing bleef niet bij
387  IV|              alle kristallen glazen brak en verscheidene gasten met
388  IV|              Trimalchio de knaap een kus en liet hem op zijn rug klimmen.
389  IV|              platte hand op de schouders en riep lachend: ,,Bok, bok,
390  IV|             grote schaal wijn te mengen, en aan ieder der slaven, die
391  IV|                  vetgemeste kippen voor, en ganzeneieren ,,au capuchon",
392  IV|                 aan de deur van de zaal, en een in 't wit geklede man,
393  IV|                aanstalten om op te staan en mijn blote voeten op de
394  IV|          Agamemnon lachte om mijn onrust en zei: ,,Houd je toch kalm,
395  IV|                  was reeds aangeschoten, en steunde met zijn handen
396  IV|            verscheidene kransen versierd en geparfumeerd water liep
397  IV|              ging op de ereplaats zitten en vroeg dadelijk om wijn en
398  IV|                en vroeg dadelijk om wijn en warm water. Trimalchio,
399  IV|                beker voor zichzelf komen en vroeg, hoe hij ontvangen
400  IV|                   daar omheen saucijsjes en zeer goed toebereide kippenmaagjes,
401  IV|              want er zit meer voedsel in en het is gezonder voor me.
402  IV|                goed. Rondom lagen erwten en wolfsbonen, noten naar believen,
403  IV|         wolfsbonen, noten naar believen, en voor ieder één appel. Ik
404  IV|                 een alikruik voor ieder, en stukje pens, lever op een
405  IV|              eieren ,,au capuchon", raap en mosterd en een schotel,
406  IV|               capuchon", raap en mosterd en een schotel, gevuld met
407  IV|                 met een soort koeienvla, en daarmee basta. Ook werd
408  IV|       tafelzilver niet opgeborgen heeft, en de kliekjes niet onder de
409  IV|                 komt, ga ik er vandoor," en hij was reeds op 't punt
410  IV|                op 't punt om op te staan en zou dit ook werkelijk gedaan
411  IV|                tunica tevoorschijn kwam, en ook haar gedraaide beenringen
412  IV|                haar gedraaide beenringen en Griekse met goud geborduurde
413  IV|               die aan haar hals hing, af en nam plaats op de sofa, waarop
414  IV|                  vrouw van Habinnas lag, en terwijl zij deze, die van
415  IV|               geweldig dikke armen afnam en ze aan Scintilla toonde,
416  IV|                Scintilla toonde, die een en al bewondering was. Tenslotte
417  IV|                  ook van haar beenringen en van haar gouden haarnetje,
418  IV|                  al haar juwelen brengen en sprak: ,,Dat zijn nu de
419  IV|                het vel over de oren. Zes en een half pond moeten haar
420  IV|             houden, een weegschaal halen en rondgeven, om de juistheid
421  IV|             Fortunata om ze te bekijken, en zeide: ,,Dank zij mijn man
422  IV|              ijver als huisvrouw blufte, en de andere over de nukken
423  IV|                 de andere over de nukken en de onverschilligheid van
424  IV| onverschilligheid van haar man klaagde.~ En terwijl ze elkaar zo omstrengelden,
425  IV|                voeten van Fortunata beet en wierp haar achterover op
426  IV|              zich aan Scintilla's borst, en verborg haar blozend gezicht
427  IV|                de slaven alle tafels weg en vervingen ze door anderen;
428  IV|                zaagsel, dat met saffraan en vermiljoen gekleurd was,
429  IV|                gekleurd was, op de vloer en, wat ik nog nooit tevoren
430  IV|            klapte Habinnas in de handen, en zei: ,,Hij is nooit op school
431  IV|            imiteren van muilezeldrijvers en marktschreeuwers. Hij heeft
432  IV|                volmaakt: hij is besneden en hij snurkt, want dat hij
433  IV|                 laat zich niets ontgaan, en hij heeft groot gelijk,
434  IV|              naar 't land als opzichter. En nou tong, houd je mond,
435  IV|                 zijn kleed te voorschijn en bootste meer dan een half
436  IV|              naar het midden van de zaal en imiteerde nu eens met gespleten
437  IV|                 tot zich riep, hem kuste en te drinken gaf met de woorden: ,,
438  IV|          tarwemeel gemaakt, met rozijnen en noten gevuld. Daarop kwamen
439  IV|            opgedragen, waaromheen vissen en allerlei soorten vogels
440  IV|               onmiddellijk, wat het was, en terwijl ik mij tot Agamemnon
441  IV|                  behoeft maar te kikken, en hij maakt een vis van een
442  IV|                  een tortelduif van ham, en een kip van een heupbeen.
443  IV|               hij heet n.l. ,,Daedalus." En omdat hij zo handig is,
444  IV|               Hij liet ze dadelijk halen en bekeek ze met bewondering.
445  IV|               zijn uitspraak ontevreden, en elk van beiden sloeg met
446  IV|            blikken naar de vechtersbazen en bemerkten nu, dat uit de
447  IV|                 buik der kruiken oesters en kammosselen vielen, die
448  IV|                 die een knaap verzamelde en op een schaal presenteerde.
449  IV|           braadroostertje alikruiken aan en zong daarbij met een trillende
450  IV|                daarbij met een trillende en afschuwelijke stem.~ Ik
451  IV|               zilveren wasbekken binnen, en wreven daarmede de voeten
452  IV|                 nadat zij eerst de benen en de enkels der gasten met
453  IV|            diezelfde olie in het wijnvat en in de lampen.~ Reeds begon
454  IV|                 sta je toe, Philargyrus, en ook jou, Cario, al ben je
455  IV|               hem aan de lucht van pekel en saus, die hij uitwasemde.
456  IV|      toneelspeler Ephesus na te bootsen, en wilde telkens opnieuw met
457  IV|           drinken als vrije mannen. Kort en goed, ik maak ze in mijn
458  IV|                te verhuren, de 5 procent en een bed met toebehoren.
459  IV|                mijn universele erfgename en ik vertrouw ze mijn vrienden
460  IV|                  hij alle scherts vergat en bevel gaf, dat men hem zijn
461  IV|            Daarop keek hij naar Habinnas en sprak: ,,Zeg eens, waarde
462  IV|               mijn schoothondje, kransen en zalfflesjes uitbeeldt, en
463  IV|                en zalfflesjes uitbeeldt, en verder alle gevechten van
464  IV|              voorkant 100 voet lang zijn en 200 diep. Ik wil ook allerlei
465  IV|            vruchtbomen om mijn as hebben en wijnstokken, met kwistige
466  IV|             langer moet verblijf houden. En daarom wil ik er vóór alles
467  IV|                  met volle zeilen varen, en mijzelf in een rechterstoel
468  IV|              gewaad met purperen strepen en met vijf gouden ringen,
469  IV|          openbare maaltijden gegeven heb en aan elke gast twee denaren.
470  IV|               mijn kleine slaafje op af, en grote kruiken, goed met
471  IV|                gebroken urn op uithouwen en daarop een snikkende knaap;
472  IV|              daarop een snikkende knaap; en in het midden een zonneuurwerk,
473  IV|            gewild. Hij was vroom, dapper en trouw. Zijn begin was klein,
474  IV|            millioen sestertiën nagelaten en toch nooit een wijsgeer
475  IV|                 weende, Habinnas weende, en eindelijk weenden alle slaven,
476  IV|                  hij met blote voeten op en volgde Trimalchio, die van
477  IV|                  keek Ascyltos eens aan, en sprak: ,,Wat vind je ervan?
478  IV|                wij hun voorbeeld volgen, en terwijl de anderen naar
479  IV|                 in het waterbassin viel. En ook ik, die al voor de geschilderde
480  IV|                  hond tot bedaren bracht en ons, bibberend van koude,
481  IV|            blaffende ondier toegeworpen, en de hond, door de lekkere
482  IV|                doolhof ingesloten waren, en voor wie het bad al een
483  IV|                 naar het bad te brengen, en nadat wij onze kleren uitgetrokken
484  IV|           badkamer binnen; deze was nauw en deed aan een kuip van een
485  IV|                  om zich heen, te baden, en dat hier vroeger een bakkerij
486  IV|      dronkenmansmond tot aan het plafond en begon de liedjes van Menecrates
487  IV|                 aan hand rond het bassin en brulden van het lachen;
488  IV|                 geplaatst, dat ik lampen en bronzen figuurtjes van vissers
489  IV|           bronzen figuurtjes van vissers en tafels opmerkte, die geheel
490  IV|           vergulde bekers van aardewerk, en wijn, die voor onze ogen
491  IV|                 Laat ons daarom drinken, en aan tafel blijven, tot het
492  IV|               wijn onder de tafel gieten en ook de lamp met ongemengde
493  IV|              zijn ring van de linkerhand en deed hem aan zijn rechter
494  IV|                deed hem aan zijn rechter en zeide: ,,Deze trompetter
495  IV|                  uit varkensvlees vogels en vissen had gemaakt, sneed
496  IV|            gemaakt, sneed hem in stukken en wierp hem in de ketel; en
497  IV|                en wierp hem in de ketel; en terwijl Daedalus de kokende
498  IV|              zich tot 't dienstpersoneel en zeide: ,,Hoe staat het met
499  IV|               riepen: ,,Vaarwel, Gaius," en de binnentredende: ,,Gegroet
500  IV|               vloog Trimalchio op hem af en kuste hem lange tijd. Hierop
501  IV|        beschimpen, noemde hem een vuilik en een ploert, omdat hij zijn
502  IV|               lusten niet kon bedwingen, en voegde hem tenslotte zelfs
503  IV|                zij een oog verloren had, en hield haar bevende handen
504  IV|               Ook Scintilla was ontsteld en bedekte haar zenuwachtige
505  IV|                  wang, waarop zij wenend en steunend haar gezicht legde.
506  IV|                de slavenmarkt afgehaald, en haar tot een dame gemaakt.
507  IV|                  de kikvors in de fabel, en vreest geen ogenblik, haar
508  IV|                 een toontje lager zingt. En als ik dan bedenk, dat ik,
509  IV|                   nam mij eens ter zijde en sprak: ,,Ik geef je de raad,
510  IV|                niet wispelturig schijnen en dreef me zelf de bijl in
511  IV|               mij vergiffenis te vragen. En om je van nu af aan te laten
512  IV|              gekrakeel heb te verdragen. En verder om haar te laten
513  IV|               zijn voornaam Gaius noemde en hem bij zijn beschermgeest
514  IV|            tranen niet langer bedwingen, en zeide: ,,Habinnas, zowaar
515  IV|                 een armstoel aangeschaft en twee bekers. Is dat nu niet
516  IV|              over je geluk na te denken, en niet te maken, dat ik mijn
517  IV|             iedere dag aan hem te meten, en, om spoedig een baard te
518  IV|                  mens heeft ooit genoeg, en ik had zin om handel te
519  IV|                 die was toen goud waard) en zond de schepen naar Rome.
520  IV|                 Ik liet grotere, betere, en fortuinlijker schepen bouwen,
521  IV|                spek, bonen, parfumerieën en slaven in. Bij deze gelegenheid
522  IV|                  al haar gouden sieraden en al haar kleren en stelde
523  IV|               sieraden en al haar kleren en stelde mij 100 goudstukken
524  IV|                 Ik liet een huis bouwen, en kocht lastdieren, om ze
525  IV|                  mij uit de handel terug en leende geld aan vrijgelatenen.
526  IV|                  geld aan vrijgelatenen. En ziet, toen ik mijn zaken
527  IV|                 een slang aan je boezem. En, wat ik jullie eigenlijk
528  IV|                ik nog 30 jaar, 4 maanden en 2 dagen te leven had. Bovendien
529  IV|             goede kamer voor de portier, en logeerkamers voor de gasten.~
530  IV|                  nergens liever logeren, en hij heeft zelf een villa
531  IV|                  erfstuk van zijn vader. En dan is er nog veel meer,
532  IV|                 worden. Haal ook de zalf en een proefje uit die kruik
533  IV|              Stichus treuzelde niet lang en bracht onmiddellijk een
534  IV|              onmiddellijk een wit kleed, en een toga met purperen zoom
535  IV|                 op, dat daar geen muizen en motten aan komen; anders
536  IV|                prachtig begraven worden, en het hele volk moet mij zegenen."
537  IV|               bestreek ons allen daarmee en zeide: ,,Ik hoop, dat die
538  IV|               wijn in het mengsel gieten en sprak: ,,Stelt je nu eens
539  IV|               over de rand van zijn sofa en zeide: ,,Neemt nu eens aan,
540  IV|               aan, dat ik gestorven ben, en zegt nu wat roerends." De
541  IV|               braken snel de deuren open en begonnen met emmers water
542  IV|                begonnen met emmers water en bijlen een ontzettend lawaai
543  IV|             lieten Agamemnon in de steek en gingen aan de haal, alsof
Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (VA2) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2010. Content in this page is licensed under a Creative Commons License