Part

  1 Inl|            de onvergetelijke figuur van Petronius, die geruime tijd
  2 Inl|   opperceremoniemeester aan het hof van keizer Nero was. Daar Petronius
  3 Inl|         sympathie en het vertrouwen van de keizer genoot, wekte
  4 Inl|        genoot, wekte hij de afgunst van de machtige Tigellinus op,
  5 Inl|     machtige Tigellinus op, die hem van vriendschap voor een der
  6 Inl|            niet, totdat het bericht van zijn veroordeling hem zou
  7 Inl|         waarin hij alle schanddaden van de wrede tyran nauwkeurig
  8 Inl|           ons in het 18de hoofdstuk van het 16de boek zijner Annalen
  9 Inl|         merkwaardige karakterschets van Petronius nagelaten, die
 10 Inl|             plichten en genietingen van het leven. Zoals anderen
 11 Inl|   verbrassen, maar als een man, die van alle denkbare genietingen
 12 Inl|        Petronius zich als proconsul van Bithynië en later als consul,
 13 Inl|         werd hij in de kleine kring van Nero's vertrouwde vrienden
 14 Inl|       keizer in zijn geblaseerdheid van mening was, dat niets het
 15 Inl|          dat niets het hoogste punt van schoonheid of weelderigheid
 16 Inl|             is de geniale schrijver van een roman, die oorspronkelijk
 17 Inl|         slechts een zeer klein deel van het gehele werk, Satyrae
 18 Inl|             boek. De eerste uitgave van Petronius, die wij kennen,
 19 Inl|      manuscript, dat ,,Het gastmaal van Trimalchio'' bevatte. Na
 20 Inl|         discussies over de echtheid van dit handschrift werd deze
 21 Inl|     Rotterdam bij Leers een uitgave van Petronius drukken, die met
 22 Inl|       Trimalchionis, ,,Het gastmaal van Trimalchio" vormt een afgerond
 23 Inl|     maaltijd heeft plaats ten huize van een zekere Trimalchio, een
 24 Inl|       half-Griekse stad aan de golf van Napels, waarschijnlijk in
 25 Inl|          personen zijn door de hand van een meester getekend; vooral
 26 Inl|       getekend; vooral het karakter van de hoofdpersoon Trimalchio
 27 Inl|       wereldliteratuur op 't gebied van realistische karaktertekening
 28 Inl|           onafscheidelijke metgezel van Encolpius. Zij combineren
 29 Inl|              Zij combineren het vak van rondtrekkende avonturiers
 30 Inl|   rondtrekkende avonturiers met dat van zakkenrollers en zijn er
 31 Inl|             beleefd, komt een slaaf van deze Agamemnon er zijn meester
 32 Inl|          het tijd is naar het feest van Trimalchio te gaan, waarvoor
 33 Inl|          Hier nu begint het verhaal van de maaltijd ten huize van
 34 Inl|           van de maaltijd ten huize van de vrijgelatene Trimalchio,
 35   I|       gewond hadden we meer lust er van door te gaan dan te blijven,
 36   I|            opdracht heeft na afloop van ieder uur te blazen, opdat
 37   I|            wordt, hoeveel hij reeds van zijn leven verloren heeft.''
 38   I|         tappen, en ons bij groepjes van andere slenteraars te voegen,
 39   I|         tunica zagen, die te midden van jonge langharige slaven
 40   I|            slaaf had er een zak vol van, en deelde nieuwe ballen
 41   I|          stonden ieder aan een kant van de speelplaats, de een met
 42   I|         ziet hier reeds 't voorspel van de maaltijd". Menelaus was
 43   I|      vochtige vingers aan de lokken van een bediende af. Het zou
 44   I|           weg door. Reeds verzadigd van het bewonderen volgden wij
 45   I|              die zonder toestemming van zijn meester de deur uitgaat,
 46   I|        alles bewonderde; want links van de ingang, niet ver van '
 47   I|             van de ingang, niet ver van 't kamertje van de portier,
 48   I|            niet ver van 't kamertje van de portier, was een reusachtige
 49   I|      makkers lachten, maar zodra ik van de schrik bekomen was, hield
 50   I|              Het was een schilderij van een slavenmarkt; alle slaven
 51   I|      vertelde men - de eerste baard van de gastheer werd bewaard.~
 52   I|               Ik vroeg de opzichter van het atrium dus, wat dat
 53   I|                en het gladiatorspel van Laenas.'' Wij hadden echter
 54   I|           was dat aan de deurposten van de eetzaal roedenbundels
 55   I|   Trimalchio, Sevir der Augustalen, van de rentmeester Cinnamus''.
 56   I|            het andere waren de loop van de maan en de voorstelling
 57   I|           ogenblik bang, dat iemand van ons tegen het bevel met
 58   I|           voet, die ons smeekte hem van zijn straf te bevrijden.
 59   I|             bad waren hem de kleren van de rentmeester ontstolen,
 60   I|          als wel de onoplettendheid van die schurk van een slaaf.
 61   I|      onoplettendheid van die schurk van een slaaf. Hij verloor mijn
 62   I|           mijn tafelkleren, die een van mijn cliënten mij op mijn
 63   I|            verbazing met een lawine van kussen, terwijl hij ons
 64   I|       weldaad bewezen hebt. De wijn van de meester is de dank van
 65   I|           van de meester is de dank van de schenker."~ Eindelijk
 66   I|     voorzichtigheid de stroopnagels van onze tenen. En zelfs bij
 67   I|            was tijdens de opvoering van een pantomime met zang inplaats
 68   I|         pantomime met zang inplaats van in de eetkamer van een particulier.~
 69   I|         inplaats van in de eetkamer van een particulier.~ Ondertussen
 70   I|            was bestemd, een ezeltje van Corinthisch brons, met een
 71   I|            bevatte. Aan weerszijden van de ezel stonden twee schalen,
 72   I|  vastgesoldeerde bordjes in de vorm van bruggetjes lagen met honig
 73   I|           Ook droeg hij aan de pink van de linkerhand een grote,
 74   I|         ring en aan het laatste lid van de volgende vinger een kleinere,
 75   I|            kleinere, die mij geheel van goud scheen, maar in werkelijkheid
 76   I|          ring, die door een plaatje van blinkend metaal gesloten
 77   I|             knaap met een speelbord van terebinthisch hout en met
 78   I|          het allermooiste: inplaats van witte en zwarte stenen had
 79   I|             onder 't spelen de taal van werklui van 't onderste
 80   I|          spelen de taal van werklui van 't onderste kaliber gebruikte,
 81   I|           nog te eten zijn."~ Ieder van ons kreeg nu een lepel,
 82   I|             te zijn. Toen ik echter van een stamgast hoorde:,,Daarin
 83   I|         zijn spel opgehouden en had van alle spijzen wat gevraagd.
 84   I|       schotel met de overblijfselen van de maaltijd bij 't vuilnis.
 85   I|             zeide hij: ,,Mars houdt van gelijke verdeling. Daarom
 86   I|            Daarom heb ik voor ieder van ons een eigen tafel laten
 87   I| Honderdjarige Falerner uit het jaar van Opimius. Terwijl wij bezig
 88   I|           Ach, hoe kort is 't leven van ons rampzalige mensen.~
 89  II|             waarop de twaalf tekens van de dierenriem in een kring
 90  II|           op de maagd de baarmoeder van een zeug, die nog niet geworpen
 91  II|          dienaren onder begeleiding van 't orkest al dansend toe
 92  II|             daarop 't bovenste deel van de dienbak. Nu zagen wij
 93  II|           merkten wij bij de hoeken van de dienbak vier saters op,
 94  II|            die onder de begeleiding van een waterorgel een schijngevecht
 95  II|            roept, noemt hij de naam van de voorsnijder en geeft
 96  II|            weten te komen; ik begon van 't begin af aan en vroeg,
 97  II|             liep. ,,Dat is de vrouw van Trimalchio" zeide hij; ,,
 98  II|            graag mag, daar houdt ze van, en aan wie ze 't land heeft,
 99  II|           als water. In 't kamertje van zijn portier ligt meer zilverwerk,
100  II|            dat nog geen tiende deel van hen hun eigen meester kent.
101  II|         gaan, hij is in staat ieder van die mooipraters in een muizenhol
102  II|             er geen enkel, dat niet van een wilde ezel afstamt.
103  II|              t niet, ik heb 't maar van horen zeggen: toen hij een
104  II|             toen hij een Boze Geest van zijn kap had beroofd, heeft
105  II|             Zo liet hij zijn huisje van 't volgende opschrift voorzien: ,,
106  II|          die daar, die op de plaats van de vrijgelatene ligt, hoeveel
107  II|         geloof, dat niet ieder haar van zijn hoofd van hem zelf
108  II|           ieder haar van zijn hoofd van hem zelf is, maar, bij Hercules,
109  II|         niet; hij is de beste kerel van de wereld; maar die vervloekte
110  II|             dat jullie op de deksel van de dienbak gezien hebt?
111  II|        gebeente ruste in vrede) die van mij een mens gemaakt heeft.
112  II|          bewonderden de geestigheid van onze sterrenwichelaar, en
113  II|            testikels en mensen, die van twee wallen eten. Onder
114  II|         rond als een ei, is 't hart van het heelal en bevat alle
115  II|         zijn kop. Aan de slagtanden van 't dier hingen twee uit
116  II|             lagen kleine varkentjes van koekdeeg gemaakt, die als '
117  II|        verscheen voor 't aansnijden van de ever niet Deelman, die
118  II|           de gasten er geen gebruik van; daarom keert het dier nu
119  II|         tafel had gezeten. Temidden van dit gesprek, ging een mooi
120  II|            luidruchtige dan weer de van zorgenbevrijdende of de
121  II|            hoog stemmetje gedichten van zijn heer. Bij dit gezang
122  II|         Daarop nam de knaap de muts van de ever af, en zette hem
123  II|          ons nu door de afwezigheid van onze gastheer vrijer voelden,
124  II|             is 't maar 't beste, zo van je bed aan tafel te gaan.
125  II|       gedronken; ik ben er soeserig van. De wijn is me naar m'n
126  II|             je vast, als de scharen van een kreeft."~ De spreker
127  II|          hij luisterde naar sommige van zijn slaven alsof het orakels
128  II|            het krijgt die geniet er van, niet degeen voor wie 't
129  II|             jongens verzot; hij was van alle markten thuis. En ik
130  II|        leven; wanneer 't brood niet van prima kwaliteit was, dat
131  II|          hij kreeg het er niet warm van, en hij spuwde niet onder '
132  II|        groter dan het hele vermogen van een ander. Ik weet wel,
133  II|   medelijden hebben? Zo waar als ik van mijn kinderen plezier wil
134  II|           ik, dat alles het werk is van de goden. Want geen mens
135  II|           heel goed; hij houdt niet van halve maatregelen. Hij zal
136  II|            gebruiken, maar ijzeren; van vluchten zal geen sprake
137  II|            geeft hij er ook 400.000 van uit, daar zal zijn vermogen
138  II|           zijn vermogen niet minder van worden, en zijn naam blijft
139  II|           vechten en de rentmeester van Glycon, die betrapt werd,
140  II|       amuseerde. Je zult een strijd van het publiek bijwonen tussen
141  II|      geloven, dat het met de spruit van Hermogenes goed zou aflopen?
142  II|      populariteit. Je kunt er zeker van zijn, dat hij hem met volle
143  II|          derde, die de plaats innam van de man, die in het eerste
144  II|             een lijk, dat de plaats van een ander lijk innam en
145  II|           die vocht nog volgens een van buiten geleerd lesje. Tenslotte
146  II|          anders dan: ,,Geeft hun er van langs". 't Waren echte wezels. ,,
147  II|          komt omdat u, die de kunst van spreken zo goed verstaat,
148  II|             lacht u om die verhalen van ons, eenvoudige luidjes.
149  II|            nemen. Hij kent de tafel van 4 al; als hij 't geluk heeft
150  II|           op vogels. Ik heb al drie van zijn putters de nek omgedraaid,
151  II|           heb voor mijn zoontje ook van die boeken met rode titels
152  II|         familie te stade. In kennis van de wet zit een broodje.
153  II|           wet zit een broodje. Want van de letterkunde weet hij
154  II|        opleiding betekent een schat van geld, en wat je geleerd
155  II|             mijn maag met 't geluid van een os. Als iemand van jullie
156  II|       geluid van een os. Als iemand van jullie even weg wilt gaan,
157  II|       schamen. Niemand onder ons is van hout. Ik geloof niet, dat
158  II|          werden drie witte varkens, van muilbanden en belletjes
159  II|        teleur door de vraag: ,,Welk van die varkens willen jullie
160  II|            of hier geboren?" ,,Geen van beide," antwoordde de kok:,,
161  II|             deze wijze aan de macht van zijn meester was herinnerd,
162  II|        lekker smaakt, groeit op een van mijn landgoederen, dat ik
163  II|         Tarentum grenzen. Ik ben nu van plan mijn landerijen door
164  II|          heb twee bibliotheken, één van Griekse boeken en één van
165  II|           van Griekse boeken en één van Latijnse. Zeg me daarom,
166  II|          als je wilt, het onderwerp van je rede." Toen Agamemnon
167  II|        vertelde hem de korte inhoud van zijn rede. Dadelijk daarop
168  II|     herinner je je de twaalf werken van Hercules, en die geschiedenis
169  II|       Hercules, en die geschiedenis van Ulysses, hoe de Cycloop
170  II|    bewondering uit over de vlugheid van de kok, en zwoeren, dat
171  II|          nog eens doet, zal niemand van ons voor hem genade vragen."~
172  II|         Drommels, dit moet een prul van een slaaf zijn; wie kan
173  II|           voorzichtige hand de buik van 't zwijn hier en daar open;
174  II|         openingen, die door de druk van 't gewicht nog groter werden,
175  II|         slaven begonnen bij 't zien van dit wonder in de handen
176  II|             een beker op een schaal van Corinthisch metaal.~ Toen
177  II|           zeggen: omdat de koopman, van wie ik het koop, Corinthus
178  II|          Corinthisch anders dan wat van Corinthus komt? Maar jullie
179  II|       metalen tot één metaal samen. Van dit mengsel namen de goudsmeden
180  II|        borden, schotels en beeldjes van. Zo is dus Corinthisch metaal
181  II|            t zeg; maar ik houd meer van glas, want in ieder geval
182  II|           beetje gedeukt, alsof hij van brons was. Daarna haalde
183  II|        waarde zou hebben als slijk. Van zilver vaatwerk houd ik
184  II|         veel. Ik heb wel 100 bekers van 13 liter inhoud. Op een
185  II|              Ook staan de gevechten van Hermeros en Petraites op
186  II|        Hermeros en Petraites op een van mijn bekers, allemaal loodzware
187  II|       dronken: ,,Vraagt dan niemand van u, of mijn vrouw Fortunata
188  II|     plotseling geremd door de komst van een secretaris, die met
189  II|            30 knaapjes, 40 meisjes. Van de dorsvloer naar de graanzolder
190  II|            omdat hij de beschermgod van onze meester had belasterd.
191  II|           die ontstond in de woning van de opzichter Nasta." ,,Wat,"
192  II|         voorgelezen, en testamenten van jachtopzieners, waarin Trimalchio
193  II|          was gehouden; dan de namen van de opzichters, die van een
194  II|        namen van de opzichters, die van een vrijgelatene, die door
195  II|             betrapt was in de kamer van een badmeester, en die van
196  II|          van een badmeester, en die van een opzichter van het atrium,
197  II|            en die van een opzichter van het atrium, die naar Baiae
198  II|            een rentmeester in staat van beschuldiging was gesteld,
199  II|           geveld door een rechtbank van kamerdienaars.~ Eindelijk
200  II|          buitengewoon domme stoffel van een man stelde zich met
201  II|       sporten en op 't hoogste punt van de ladder dansen en zingen;
202  II|               ik houd trouwens maar van twee dingen op de wereld,
203  II|           twee dingen op de wereld, van koorddansers en van hoornblazers;
204  II|         wereld, van koorddansers en van hoornblazers; alle andere
205  II|          hij dit zei, viel de knaap van de ladder boven op Trimalchio'
206  II|            De bedienden schreeuwden van angst, en de gasten niet
207  II|          minder, niet om die pummel van een gastheer, die zij gaarne
208  II|           Wat de knaap betreft, die van de ladder gevallen was,
209  II|       geselen, die de gekneusde arm van zijn geer met witte wol
210  II|           had omwikkeld , in plaats van purperen wol te gebruiken.
211  II|             ver mis: want in plaats van straf volgde een bevel van
212  II|          van straf volgde een bevel van Trimalchio, om de knaap
213  II|            over de wisselvalligheid van 't menselijk leven.~ ,,Ja,"
214 III|          fijne Falernische wijn."~ ~Van dit epigram kwam 't gesprek
215 III|              Wat geven u karbonkels van 't Carthaagse land?~ Zou
216 III|             zien zijn door een wolk van dunne stof?~ ~
217  IV|             hij weet, wat de mensen van binnen achter hun ribben
218  IV|             ook, dat zij die honing van Juppiter krijgen. Dat zij
219  IV|             bestemde slaaf de lijst van geschenken voorlas, die
220  IV|             de ogen kreeg, werd een van Trimalchio's medevrijgelatenen
221  IV|              Valt de verfijnde luxe van mijn meester niet in je
222  IV|          hoop, dat de beschermgodin van deze plaats mij genadig
223  IV|           magen te eten, zonder nog van mijn hond te spreken; mijn
224  IV|             meer waard was, dan jij van het hoofd tot de voeten.
225  IV|             zorgen, dat je de toorn van Juppiter eens voelt, jij
226  IV|      Luister nu verder: ,,Welk deel van ons beweegt zich en komt
227  IV|      beweegt zich en komt toch niet van zijn plaats, welk deel van
228  IV|          van zijn plaats, welk deel van ons groeit en wordt kleiner".
229  IV|             ik, die zich net zoveel van je aantrekt, alsof je niet
230  IV|           bukshouten ringen, die je van je meisje gestolen hebt?
231  IV|             eenvoudige ijzeren ring van mij crediet heeft. Een mooi
232  IV|             is een idioot in plaats van een opvoeder. Neen, dan
233  IV|            zijn 't allemaal jongens van niks; geen een is twee duiten
234  IV|            juist op deze stortvloed van verwijten antwoorden, maar
235  IV|             over de welsprekendheid van zijn medevrijgelatene:,,
236  IV|           de Homeristen een dialoog van Griekse verzen hielden,
237  IV|            zal u dadelijk de inhoud van 't stuk verduidelijken."
238  IV|          slaven werd op een schotel van 200 pond een gekookt kalf
239  IV|             weer met de platte kant van zijn zwaard om zich heen
240  IV|            hoepel, die ongetwijfeld van een geweldig groot vat was
241  IV|            na deze huldiging enigen van ons naar de vruchten grepen,
242  IV|           sprekend-gelijkende buste van Trimalchio zelf, en daar
243  IV|      Niceros, door de hartelijkheid van zijn vriend gestreeld: ,,
244  IV|              als ik niet reeds lang van vreugde zwel, omdat je zo
245  IV|        willen) verliefd op de vrouw van de kroeghouder Terentius;
246  IV|            dikkertje. Maar ik hield van haar niet om haar schoonheid,
247  IV|            dan kreeg ik er de helft van; wat ik spaarde, ging in
248  IV|      stuiver te kort gedaan. De man van deze vrouw nu, kwam op een
249  IV|       lorren te verkopen. Ik maakte van de gelegenheid gebruik,
250  IV|     verwijderde zich in de richting van de zerken; ik zat een deuntje
251  IV|             zijn kleren aan de kant van de weg legde. Het hart klopte
252  IV|    versteend. Als ooit iemand haast van angst stierf, dan was ik
253  IV|         spoken, tot ik het landhuis van mijn vriendin bereikte.
254  IV|          mijn ogen staarden als die van een dode, ik kon maar niet
255  IV|           hij heeft er geen plezier van gehad, al is hij ons ontvlucht;
256  IV|              maar bij het aanbreken van de dag rende ik als een
257  IV|            herbergier naar het huis van mijn meester Gaius terug.
258  IV|            man een weerwolf was, en van dat ogenblik af kon ik geen
259  IV|          geslagen. Laten anderen er van denken wat ze willen; maar
260  IV|            Ik wil geen kwaad zeggen van je verhaal, maar ik heb
261  IV|             maar ik heb er kippevel van (dat kun je gerust geloven),
262  IV|          net zo merkwaardig als dat van de ezel, die op het dak
263  IV|         lange haren (want ik leefde van mijn jeugd af als een weeldepop),
264  IV|           stierf de lievelingsslaaf van mijn meester, een parel
265  IV|             mijn meester, een parel van een jongen, die volmaakt
266  IV|          toen de moeder het lichaam van haar overleden zoontje wilde
267  IV|        heksen: dat zijn de vampiers van de nacht, en zij keren alles
268  IV|          gedurende de tijd, dat wij van de maaltijd terug zouden
269  IV|             eerst en dat de aanblik van de gehele zaal veranderd
270  IV|              voordragen en imiteren van de gesprekken in een kapperszaak!
271  IV|            te halen ,,de beschermer van het huis en zijn bewoners ",
272  IV|    binnengebracht; er door een trap van de portier aan herinnerd,
273  IV|              t hele huis houdt meer van mij dan deze hond."~ Daar
274  IV|             bepaling: ,,Wanneer een van hen niet wil drinken, giet
275  IV|           vrolijk!"~ Na deze uiting van vriendelijkheid volgden
276  IV|         geloven wilt. Want inplaats van lijsters zette men ons vetgemeste
277  IV|       klopte een lictor aan de deur van de zaal, en een in 't wit
278  IV|          wit geklede man, die zeker van een partijtje kwam, trad
279  IV|           is Habinnas maar, een lid van de commissie der zesmannen,
280  IV|             der zesmannen, eigenaar van een steenhouwerswerkplaats,
281  IV|         zijn handen op de schouders van zijn vrouw; hij was met
282  IV|         geparfumeerd water liep hem van zijn voorhoofd tot in de
283  IV|         uitgenodigd werden de helft van hetgeen dat wij dronken
284  IV|           warme honing was gegoten. Van de taart at ik niets, maar
285  IV|             at er meer dan een pond van, want 't vlees smaakt net
286  IV|         haar bovenkleed door middel van een gele gordel zo hoog
287  IV|          waarop Scintilla, de vrouw van Habinnas lag, en terwijl
288  IV|            en terwijl zij deze, die van plezier in de handen klapte,
289  IV|            Fortunata haar armbanden van haar geweldig dikke armen
290  IV|      Tenslotte ontdeed zij zich ook van haar beenringen en van haar
291  IV|          ook van haar beenringen en van haar gouden haarnetje, waarvan
292  IV|            Dat zijn nu de kluisters van een vrouw: zo halen zij
293  IV|             ik zelf nog een armband van tien pond, die uit evenveel
294  IV|          rondgeven, om de juistheid van het genoemde gewicht te
295  IV|             blufferig, want zij nam van haar hals een gouden doosje,
296  IV|             en de onverschilligheid van haar man klaagde.~ En terwijl
297  IV|       ongemerkt op, pakte de voeten van Fortunata beet en wierp
298  IV|        plotseling, ik denk op bevel van zijn heer, met zingende
299  IV|            intussen Aeneas~ 't Diep van de zee met zijn schepen."~
300  IV|             mij toen voor het eerst van mijn leven tegenstond. Maar,
301  IV|        gelijke niet in het imiteren van muilezeldrijvers en marktschreeuwers.
302  IV|       bakker, kortom een slaaf, die van alle markten thuis is. Maar
303  IV|             lang niet al de kunsten van die deugniet van een slaaf
304  IV|            kunsten van die deugniet van een slaaf verteld, 't is
305  IV|             de gewoonte om de vrouw van mijn meester wat op te vrijen,
306  IV|         zodat de baas er zelfs iets van merkte. Daarom stuurde hij
307  IV|          hij geprezen was, een lamp van aardewerk uit zijn kleed
308  IV|            de knaap naar het midden van de zaal en imiteerde nu
309  IV| binnengebracht. Het waren lijsters, van fijn tarwemeel gemaakt,
310  IV|         gemaakt had, dat wij liever van honger hadden willen sterven,
311  IV|          verwonderen, als dat alles van mest of modder gemaakt is.
312  IV|        kikken, en hij maakt een vis van een varkenspens, een duif
313  IV|           een varkenspens, een duif van een stuk spek, een tortelduif
314  IV|           stuk spek, een tortelduif van ham, en een kip van een
315  IV|      tortelduif van ham, en een kip van een heupbeen. Daarom heb
316  IV|          heb ik hem uit Rome messen van Norisch staal als een geschenk
317  IV|        uitspraak ontevreden, en elk van beiden sloeg met zijn stok
318  IV|        sloeg met zijn stok de kruik van de ander in stukken. Door
319  IV|        stukken. Door de brutaliteit van deze dronken kwajongens
320  IV|        Daarop goot men een scheutje van diezelfde olie in het wijnvat
321  IV|            zeggen, wij werden bijna van onze sofa's verdreven: zo
322  IV|           herkende hem aan de lucht van pekel en saus, die hij uitwasemde.
323  IV|          moest brengen, hetgeen hij van het begin tot het einde
324  IV|             einde onder het gezucht van heel de slavenstoet voorlas.~
325  IV|         geval, dat je aan de voeten van mijn beeld mijn schoothondje,
326  IV|            en verder alle gevechten van Petraites, opdat, dank zij
327  IV|       monument kan niet 't eigendom van mijn erfgenamen worden."
328  IV|      beledigd word. Ik zal n.l. een van mijn vrijgelatenen aanstellen
329  IV|              dat je aan de voorkant van mijn monument schepen uithouwt,
330  IV|      rechterzijde moet je het beeld van Fortunata plaatsen met een
331  IV|      eindelijk weenden alle slaven, van wier jammerklachten de hele
332  IV|          waarom zullen wij dan niet van het leven genieten? Zowaar
333  IV|           en volgde Trimalchio, die van plezier in zijn handen klapte.~
334  IV|        geblaf ontving, dat Ascyltos van schrik in het waterbassin
335  IV|            bracht en ons, bibberend van koude, op het droge trok.
336  IV|             n.l. alles, wat wij hem van de maaltijd gegeven hadden,
337  IV|           nauw en deed aan een kuip van een koudwaterbad denken.
338  IV|            hij, door het weergalmen van de badkamer tot zingen genodigd,
339  IV|         plafond en begon de liedjes van Menecrates te mishandelen,
340  IV|          rond het bassin en brulden van het lachen; de andere trachtten
341  IV|        gevouwen handen, door middel van hun tanden ringen van de
342  IV|        middel van hun tanden ringen van de grond te rapen of spanden
343  IV|          dat zij 't uiterste puntje van hun tenen konden aanraken.
344  IV|        lampen en bronzen figuurtjes van vissers en tafels opmerkte,
345  IV|         tafels opmerkte, die geheel van zilver waren gemaakt, vergulde
346  IV|            gemaakt, vergulde bekers van aardewerk, en wijn, die
347  IV|         Vrienden, vandaag heeft een van mijn slaven voor het eerst
348  IV| besprenkelen. Hij nam ook zijn ring van de linkerhand en deed hem
349  IV|        zelfs de woorden: ,,Jou hond van een kerel," toe. Trimalchio,
350  IV|  zenuwachtige vriendin met een deel van haar bovenkleed. Ook hield
351  IV|          geen geheugen. Ik heb haar van de stellage op de slavenmarkt
352  IV|             geboren is, droomt niet van een paleis. Zowaar als m'
353  IV|     vergiffenis te vragen. En om je van nu af aan te laten voelen,
354  IV|             boos te zijn. ,,Niemand van ons," zei hij, ,,is zonder
355  IV|       Habinnas, zowaar als je hoopt van je kapitaal te genieten,
356  IV|           is : hij kent al de tafel van 10, hij leest gemakkelijk
357  IV|     gemakkelijk een boek, hij heeft van zijn zakgeld een Thracische
358  IV|           opvatting. Ik barst haast van succes. Maar ben jij nu
359  IV|            lang was ik de lieveling van mijn heer. 't Is toch geen
360  IV|             over, want ik houd niet van opsnijden. Daarop werd ik,
361  IV|     landerijen op, die het eigendom van mijn vroegere meester geweest
362  IV|     herinnerde; hij zette mij alles van a tot z uiteen; hij keek,
363  IV|           niet gelukkig in de keuze van je vrienden. Niemand bewijst
364  IV|             ik onder de bescherming van Mercurius dit huis laten
365  IV|            voor mezelf, het boudoir van die slang daar, een goede
366  IV|          het zeestrand, een erfstuk van zijn vader. En dan is er
367  IV|       daarop alles betasten, of het van goede wol was. Toen zei
368  IV|             lengte tot over de rand van zijn sofa en zeide: ,,Neemt
369  IV|             treurmarsen. Vooral één van hen, de slaaf van die begrafenis-ondernemer,
370  IV|        Vooral één van hen, de slaaf van die begrafenis-ondernemer,
371  IV|             werk hoort. Wij maakten van deze gunstige gelegenheid
372  IV|             het beroemdste fragment van Petronius' Saturae.~ ~ ~
Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (VA2) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2010. Content in this page is licensed under a Creative Commons License