IntraText Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library | Search |
Inleiding | «» |
Wie Sienkiewicz' beroemde roman ,,Quo Vadis''
heeft gelezen, herinnert zich de onvergetelijke figuur van Petronius, die
geruime tijd opperceremoniemeester aan het hof van keizer Nero was. Daar
Petronius in hoge mate de sympathie en het vertrouwen van de keizer genoot,
wekte hij de afgunst van de machtige Tigellinus op, die hem van vriendschap
voor een der deelnemers aan de tegen Nero gerichte samenzwering beschuldigde
(65 na Christus). Petronius wachtte echter niet, totdat het bericht van zijn
veroordeling hem zou bereiken, maar maakte tevoren een eind aan zijn leven. Hij
veroorloofde zich echter nog een echt-Petroniaanse geestigheid. Hij zond nl.,
alvorens te sterven, een verzegeld geschrift aan Nero, waarin hij alle
schanddaden van de wrede tyran nauwkeurig opsomde. De grote Romeinse
geschiedschrijver Tacitus heeft ons in het 18de hoofdstuk van het 16de boek
zijner Annalen een hoogst merkwaardige karakterschets van Petronius nagelaten,
die ik de lezer niet mag onthouden:
,,C. Petronius bracht de dag met slapen door, en de nacht met de plichten en
genietingen van het leven. Zoals anderen zich roem verwerven door ijver, zo had
hij zich door niets doen naam gemaakt; toch werd hij niet als een slemper of
een verkwister beschouwd, zoals de meesten, die hun vermogen verbrassen, maar
als een man, die van alle denkbare genietingen een studie had gemaakt.
Bovendien werden zijn woorden en daden, hoe ongegeneerder zij waren, hoe meer
onverschilligheid zij verrieden, des te gretiger als een soort naïveteit
opgenomen. Toch betoonde Petronius zich als proconsul van Bithynië en later als
consul, een krachtig man en volkomen voor zijn ambt berekend. Daarna tot zijn
oude ondeugden teruggezonken of wel omdat hij daarvan de schijn aannam, werd
hij in de kleine kring van Nero's vertrouwde vrienden opgenomen als ,,maître de
plaisir'', daar de keizer in zijn geblaseerdheid van mening was, dat niets het
hoogste punt van schoonheid of weelderigheid bereikt had, tenzij Petronius het
hem had aanbevolen.''
Deze Petronius is de geniale schrijver van een roman, die oorspronkelijk
ongeveer twintig boeken moet hebben omvat. Wat wij nog over hebben, is slechts
een zeer klein deel van het gehele werk, Satyrae geheten; de ons bewaarde
fragmenten behoorden tot het 15de en 16de boek. De eerste uitgave van
Petronius, die wij kennen, verscheen in 1482 te Milaan. Omstreeks 1650 vond men
te Trau in Dalmatië een manuscript, dat ,,Het gastmaal van Trimalchio''
bevatte. Na heftige discussies over de echtheid van dit handschrift werd deze
ten slotte vrij algemeen erkend.
In 1692 liet Nodot, een Frans officier, te Rotterdam bij Leers een uitgave van
Petronius drukken, die met nieuwe fragmenten vermeerderd was, zodat men nu
volgens de uitgever een volledige Petronius bezat.
Deze fragmenten zijn echter niets dan een literaire fraude, zoals o.a. door
Breugière de Barante (1670-1745), een beroemd advocaat te Riom, werd aangetoond
en ook nu is Petronius slechts in fragmenten te lezen. Alleen de Cena
Trimalchionis, ,,Het gastmaal van Trimalchio" vormt een afgerond
geheel. Deze maaltijd heeft plaats ten huize van een zekere Trimalchio, een vrijgelaten
slaaf, die door speculatie grote rijkdom heeft verworven en elke gelegenheid
aangrijpt, om als een echte parvenu op zijn reusachtig vermogen te pochen.
Trimalchio woont in een half-Griekse stad aan de golf van Napels,
waarschijnlijk in Puteoli, het hedendaagse Pozzuoli.
De optredende personen zijn door de hand van een meester getekend; vooral het
karakter van de hoofdpersoon Trimalchio is wel 't hoogste, dat in de
wereldliteratuur op 't gebied van realistische karaktertekening bereikt is,
zodat men Petronius terecht als karaktertekenaar met Shakespeare en Cervantes
op één lijn heeft gesteld.
De gehele geschiedenis, zoals die in de ons bewaarde delen der Satyrae verhaald
wordt, speelt zich af rondom drie jongelui, die ieder een gelatinizeerde Griekse
naam dragen: Encolpius, de verteller, wiens naam betekent: ,,hij die aan
iemands boezem rust'', Ascyltos, ,,de onvermoeibare'', en Giton,
,,het buurjongetje'', een schone lievelingsslaaf en onafscheidelijke metgezel
van Encolpius. Zij combineren het vak van rondtrekkende avonturiers met dat van
zakkenrollers en zijn er steeds op uit, ergens gastvrijheid te genieten. Zoals
uit de eerste hoofdstukken blijkt, hebben zij kennis gemaakt met een zekere
Agamemnon, een leraar in de welsprekendheid. Nadat zij allerlei avonturen
hebben beleefd, komt een slaaf van deze Agamemnon er zijn meester en de drie
jongelui aan herinneren, dat het tijd is naar het feest van Trimalchio te gaan,
waarvoor zij alle vier een uitnodiging hadden ontvangen. (Hoofdstuk 26)
Hier nu begint het verhaal van de maaltijd ten huize van de vrijgelatene
Trimalchio, dat, voor zover wij weten, nog nimmer in het Noord-Nederlands werd
vertaald.
«» |