IntraText Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library | Search |
Reeds was de derde dag aangebroken, en daarmee het in uitzicht gestelde
galgemaal, maar door zoveel slagen gehavend en gewond hadden we meer lust er
van door te gaan dan te blijven, waar wij waren. Toen wij nu treurig gestemd
beraadslaagden, hoe wij de dreigende storm zouden kunnen ontgaan, kwam een
slaaf naar ons toe en zeide: ,,Weet u niet, bij wie er vandaag wat te doen is?
Bij Trimalchio, een man, die er warmpjes inzit; hij heeft een uurwerk in zijn
eetzaal staan en een trompetter, die de opdracht heeft na afloop van ieder uur
te blazen, opdat hij er telkens aan herinnerd wordt, hoeveel hij reeds van zijn
leven verloren heeft.'' Wij vergaten dus al onze ongelukken, kleedden ons met
zorg aan, en verzochten Giton, die deze slavendienst graag op zich nam, ons
naar de badinrichting te begeleiden.
Nadat wij ons aangekleed hadden, begonnen wij ondertussen wat rond te slenteren
of laat ik liever zeggen wat moppen te tappen, en ons bij groepjes van andere
slenteraars te voegen, toen wij plotseling een oude kaalkop in een rode tunica
zagen, die te midden van jonge langharige slaven het balspel beoefende. Het
waren echter niet zozeer de knapen, hoewel ook zij de moeite waard waren, die
onze belangstelling trokken als de heer des huizes zelf, die op pantoffels
lopend met groengekleurde ballen wierp. Viel er een bal op de grond, dan raapte
hij die niet meer op, maar een slaaf had er een zak vol van, en deelde nieuwe
ballen aan de spelers uit. Wij merkten nog iets ongewoons op. Twee eunuchen
stonden ieder aan een kant van de speelplaats, de een met een zilveren pot de
chambre; de andere telde de ballen, niet die, welke bij het kaatsen tussen de
handen der spelers heen en weer vlogen, maar die, welke op de grond vielen.
Toen wij al dat moois bewonderden, kwam Menelaus op ons toelopen en zei:
"Dit is nu de man, bij wie jullie gaat dineren; ge ziet hier reeds 't
voorspel van de maaltijd". Menelaus was nog aan het spreken, toen
Trimalchio met de vingers knipte, op welk teken de eunuch de pot de chambre
onder hem hield, terwijl hij rustig doorspeelde. Toen hij zich wat ontlast had,
vroeg hij water om zijn hand te wassen, en droogde zijn vochtige vingers aan de
lokken van een bediende af. Het zou mij te lang geduurd hebben, als ik op alles
afzonderlijk had willen letten; wij gingen dus in het bad en na een paar
minuten flink getranspireerd te hebben, namen wij een koude douche. Trimalchio,
die met welriekend water overgoten was, liet zich reeds droogwrijven, niet met
gewoon linnen, maar met de fijnste wollen handdoeken. Ondertussen dronken drie
masseurs voor zijn ogen Falernerwijn en, daar zij al twistend het meeste op de
grond morsten, zei Trimalchio, dat zij op zijn gezondheid gedronken hadden.
Daarop wikkelde men hem in een scharlaken mantel en deed hem in een draagstoel
plaats nemen, terwijl vier knechts in livrei vooruitgingen en een handwagentje,
waarin zijn lievelingsknaap reed, een oudachtig-uitziend ventje met ontstoken
ogen, nog lelijker dan zijn heer Trimalchio. Terwijl hij weggedragen werd,
naderde een muzikant met een miniatuur-fluit zijn hoofdeinde, en alsof hij hem
een geheim in 't oor fluisterde, floot hij de hele weg door. Reeds verzadigd
van het bewonderen volgden wij en kwamen tezamen met Agamemnon aan de deur, op
de posten waarvan een plakkaat was bevestigd met 't volgende opschrift: ,,Elke
slaaf, die zonder toestemming van zijn meester de deur uitgaat, krijgt honderd
slagen". Vlak bij de ingang stond een in het groen geklede portier met een
kersrode gordel om zijn middel, die erwten dopte in een zilveren schotel. Boven
de drempel hing een gouden kooi met een bonte ekster, die de binnentredenden
begroette. Ik had intussen bijna mijn benen gebroken, toen ik met
achterovergebogen hoofd alles bewonderde; want links van de ingang, niet ver
van 't kamertje van de portier, was een reusachtige hond aan een ketting ... op
de muur geschilderd, waarboven met grote letters stond: ,,Voorzichtig! Hij
bijt''. Mijn makkers lachten, maar zodra ik van de schrik bekomen was, hield ik
niet op, vóór ik de hele muur bekeken had. Het was een schilderij van een
slavenmarkt; alle slaven hadden bordjes aan hun hals hangen. Trimalchio zelf
deed zijn intrede in Rome als een jonge slaaf met lange haren en een
Mercuriusstaf in de hand, terwijl Minerva hem leidde. Verder had de
scherp-waarnemende schilder zorgvuldig met bovenschriften weergegeven, hoe hij
had leren rekenen, en rentmeester geworden was. Aan het einde der galerij hief
Minerva hem bij de kin op een hoge stellage. Ook Fortuna was aanwezig met een
enorme hoorn des overvloeds, en de drie Schikgodinnen, die bezig waren gouden
draden te spinnen. Ook viel mijn oog in de zuilengang op een aantal hardlopers,
die zich met hun ,,trainer'' oefenden. Bovendien merkte ik in een hoek een
grote kast op en daarin 'n kapelletje; hierin stonden zilveren Huisgoden, een
marmeren Venusbeeld en een tamelijk groot gouden doosje, waarin - zoo vertelde
men - de eerste baard van de gastheer werd bewaard.
Ik vroeg de opzichter van het atrium dus, wat dat voor schilderijen in het
midden waren. ,,De Ilias en de Odyssee'', zei hij, ,,en het gladiatorspel van
Laenas.'' Wij hadden echter geen gelegenheid alles nauwkeurig te bekijken.
Wij waren reeds de eetzaal genaderd, bij de ingang waarvan de rentmeester
rekeningen in ontvangst nam. Wat mij 't meest frappeerde, was dat aan de
deurposten van de eetzaal roedenbundels met bijlen waren bevestigd, die aan 't
uiteinde iets als een bronzen scheepssnavel hadden, waarop geschreven stond:
,,Aan C. Pompeius Trimalchio, Sevir der Augustalen, van de rentmeester
Cinnamus''. Met dit zelfde opschrift was ook een dubbele lamp voorzien, die aan
de zoldering hing en aan de beide deurposten waren twee bordjes aangebracht: op
het ene stond, als ik mij goed herinner: ,,30 en 31 December dineert onze heer
Gaius buitenshuis''. Op het andere waren de loop van de maan en de voorstelling
der zeven planeten geschilderd, terwijl de gunstige en ongunstige dagen met
verschillend gekleurde knopjes waren aangegeven.
Toen wij, door al dat moois verzadigd, de eetzaal wilden binnentreden, riep een
der slaven, aan wie dit opgedragen was: ,,Met de rechtervoet". Om de
waarheid te zeggen, waren wij een ogenblik bang, dat iemand van ons tegen het
bevel met de verkeerde voet naar binnen zou gaan. Toen wij allen tegelijk met
de rechtervoet binnen getreden waren, viel ons een geheel ontklede slaaf te
voet, die ons smeekte hem van zijn straf te bevrijden. Zijn misdrijf, waarvoor
hij gestraft zou worden, was niet groot, zei hij; want in het bad waren hem de
kleren van de rentmeester ontstolen, die nauwelijks tien sestertiën kostten.
Wij trokken onze rechtervoet dus weer terug en verzochten de rentmeester, die
in het atrium goudstukken telde, om de slaaf zijn straf kwijt te schelden.
Eerstgenoemde hief zijn hoofd met trotse blik op en sprak: ,,Niet zozeer het
verlies ergert mij, als wel de onoplettendheid van die schurk van een slaaf.
Hij verloor mijn tafelkleren, die een van mijn cliënten mij op mijn verjaardag
geschonken had: 't was natuurlijk echt Tyrisch purper, maar reeds éénmaal
gewassen. Maar wat doet het er toe? Op uw verzoek zal de schurk genade
hebben''. Wij betuigden hem voor deze grote goedheid onze dank, en, toen wij de
eetzaal binnentraden, liep ons dezelfde slaaf tegemoet, voor wie wij genade
gesmeekt hadden, en overstelpte ons tot onze verbazing met een lawine van
kussen, terwijl hij ons voor onze menslievendheid bedankte. ,,In één woord",
zei hij, ,,u zult dadelijk weten, aan wie u die weldaad bewezen hebt. De wijn
van de meester is de dank van de schenker."
Eindelijk gingen we dan aan tafel aanliggen en Alexandrijnse slaven goten ons
sneeuwwater over de handen; daarna kwamen anderen, om onze voeten te
behandelen, en verwijderden met buitengewone voorzichtigheid de stroopnagels
van onze tenen. En zelfs bij dit onaangename werk zwegen zij niet, maar zongen
er voortdurend bij. Ik wilde daarom eens zien, of alle slaven zongen en vroeg dus
wat te drinken. In een oogwenk bediende een slaaf mij onder een niet minder
snerpend gezang, en zo deed ieder, aan wie wij iets vroegen. Men zou gemeend
hebben, dat men in een theater was tijdens de opvoering van een pantomime met
zang inplaats van in de eetkamer van een particulier.
Ondertussen bracht men een voorgerecht op, dat er heerlijk uitzag, want allen
hadden reeds plaats genomen behalve Trimalchio zelf, voor wie men volgens de
nieuwste mode de ereplaats bewaarde. Er stond dan op een blad, dat voor
voorgerechten was bestemd, een ezeltje van Corinthisch brons, met een knapzak,
die aan de ene kant lichtgroene, aan de andere zwarte olijven bevatte. Aan
weerszijden van de ezel stonden twee schalen, op wier rand de naam Trimalchio
en het gewicht aan zilver was gegraveerd. Op kleine daaraan vastgesoldeerde
bordjes in de vorm van bruggetjes lagen met honig en papaverzaad bestrooide
hazelmuizen, op een zilveren rooster rokende braadworsten, en onder de rooster
damastpruimen met granaatappels.
Met deze heerlijke gerechten waren wij juist bezig, toen Trimalchio zelf onder
muziek naar tafel gedragen en op tot barstens toe gevulde kussens werd gezet.
Vele onvoorzichtigen moesten vreselijk om hem lachen, want zijn kaalgeschoren
hoofd kwam potsierlijk uit zijn scharlaken mantel te voorschijn en om zijn
hals, die geheel door de mantel was bedekt, had hij nog een servet gebonden met
brede purperen zoom, waarvan aan alle kanten franjes afhingen. Ook droeg hij
aan de pink van de linkerhand een grote, vergulden ring en aan het laatste lid
van de volgende vinger een kleinere, die mij geheel van goud scheen, maar in
werkelijkheid met vele daaraan vastgesoldeerde ijzeren sterretjes bezet was.
En, om nog meer kostbaarheden te laten zien, ontblootte hij de rechterarm, versierd
met een gouden armband en een ivoren ring, die door een plaatje van blinkend
metaal gesloten was.
Toen hij daarop zijn tanden met een zilveren tandenstoker had gereinigd, zeide
hij: ,,Ik had eigenlijk nog geen lust aan tafel te komen, vrienden, maar om u
niet te lang te laten wachten, heb ik mijn aangename bezigheden maar in de
steek gelaten. Maar u zult mij toestaan, dat ik mijn spel even uitmaak".
Daarop kwam een knaap met een speelbord van terebinthisch hout en met
kristallen dobbelstenen; en nu zag ik het allermooiste: inplaats van witte en
zwarte stenen had hij gouden en zilveren munten. Terwijl hij onder 't spelen de
taal van werklui van 't onderste kaliber gebruikte, en wij nog met 't
voorgerecht bezig waren, werd een bord met een korf binnengebracht waarin een
houten kip zat, die hare vleugels uitbreidde, alsof zij eieren uitbroedde.
Tegelijkertijd kwamen twee slaven en begonnen, onder muzikale begeleiding, haar
nest te doorzoeken, haalden pauweneieren te voorschijn en verdeelden die onder
de gasten. Trimalchio keerde zich naar dit gerecht en zeide: ,,Vrienden, ik heb
pauweneieren onder deze kip laten leggen, en ik ben warempel bang, dat zij
reeds bebroed zijn! Maar laten wij eens proberen of ze nog te eten zijn."
Ieder van ons kreeg nu een lepel, die niet minder dan een half pond woog, en
daarmee maakten wij de eieren open, die uit dik meel waren toebereid. Bijna had
ik het mijne weggeworpen, want er scheen me een reeds jonge pauw in te zijn.
Toen ik echter van een stamgast hoorde:,,Daarin moet iets lekkers zitten",
pelde ik het ei geheel en vond een vette bastaardnachtegaal, door een gepeperde
dooier omgeven.
Ondertussen was Trimalchio met zijn spel opgehouden en had van alle spijzen wat
gevraagd. Daarop riep hij met luide stem, dat wie nog lust had honingwijn te
drinken, een tweede glas mocht nemen.
Plotseling werd door het orkest een teken gegeven en de gerechten werden door
een zingend koor snel weggeruimd. Daar bij deze drukte een schoteltje op de
grond gevallen was en een slaaf het opraapte, liet Trimalchio, die dit
bemerkte, de knaap een oorvijg geven en beval het weer op de grond te werpen.
Dadelijk daarna kwam een slaaf, die voor 't huisraad moest zorgen, en veegde de
zilveren schotel met de overblijfselen van de maaltijd bij 't vuilnis. Daarop
traden twee langharige negerslaven binnen, die kleine zakken droegen, zoals
die, waarmee men in het amphitheater zand strooit, en goten wijn over onze
handen, want water werd niet aangeboden. Toen wij de gastheer onze
ingenomenheid met deze fijne attentie hadden te kennen gegeven, zeide hij:
,,Mars houdt van gelijke verdeling. Daarom heb ik voor ieder van ons een eigen
tafel laten neerzetten. Zo zullen die stinkende slaven ' t ons ook minder
benauwd maken, dan wanneer zij in grote menigte om ons heen lopen."
Tegelijkertijd werden zorgvuldig met gips gesloten glazen kruiken
binnengebracht, op wier halzen etiketten waren bevestigd met 't opschrift: Honderdjarige
Falerner uit het jaar van Opimius. Terwijl wij bezig waren de opschriften
te lezen, klapte Trimalchio in de handen en sprak: ,,Ach, zo leeft dan de wijn
langer dan een mensenkind. Laat ons daarom drinken, vrienden. Wijn is leven. Ik
geef echte Opimianer. Gisteren schonk ik lang zulk een goede wijn niet, en toch
had ik toen veel deftiger gezelschap."
Terwijl wij dus dronken en het prachtige gastmaal hevig bewonderden, bracht een
slaaf een zilveren geraamte, dat zó kunstig vervaardigd was, dat de ledematen
en de wervels buigzaam waren en naar alle kanten konden bewogen worden. Toen
Trimalchio dit skelet enige malen op de tafel heen en weer geworpen had en het
door de beweegbare verbinding verschillende standen liet aannemen, zong hij:
,,Ach,
hoe kort is 't leven van ons rampzalige mensen.
Aldus zullen wij zijn, zodra w' ons bevinden bij Pluto.
Geniet dus het leven, zolang als u de tijd wordt gegund."