Caius Petronius
Het Gastmaal van Trimalchio

II

«»

Link to concordances:  Standard Highlight

Link to concordances are always highlighted on mouse hover

Na het algemeen applaus volgde een gerecht, dat niet aan onze verwachting beantwoordde; toch was 't ongewoon, dat het aller ogen tot zich trok. Er werd n.l. een ronde dienbak binnengebracht, waarop de twaalf tekens van de dierenriem in een kring waren getekend; op ieder daarvan had de slaaf, die de spijzen op de schotels moest ordenen, een gerecht geplaatst, dat er bij paste: b.v. op de ram ramserwten, op de stier een stuk rundvlees, op de tweelingen testikels en nieren, op de kreeft een krans, op de leeuw een Afrikaanse vijg, op de maagd de baarmoeder van een zeug, die nog niet geworpen heeft, op de weegschaal een echte weegschaal met een taart in de ene schaal en een koek in de andere, op de schorpioen een kleine zeevis, op de schutter een haas, op de steenbok een zeekreeft, op de waterman een gans, op de vissen twee barbelen. In het midden lag een graszode, met gras en al uitgesneden en daarop een honingraat. Een Egyptische slaaf droeg op een zilveren bakpan brood rond en zong met een afschuwelijke stem een liedje uit de pantomime ,,De silphiumverkoper''. Toen wij niet veel lust hadden om met deze minderwaardige spijzen te beginnen, zie Trimalchio: ,,Ik stel voor te gaan eten, Heren, dat is nu eenmaal 't gebruik bij een maaltijd.'' Toen hij dit zeide, snelde een viertal dienaren onder begeleiding van 't orkest al dansend toe en verwijderden daarop 't bovenste deel van de dienbak. Nu zagen wij in de onderste afdeling vetgemest gevogelte, een varkensuier en een in 't midden met veren versierde haas, die Pegasus moest voorstellen. Ook merkten wij bij de hoeken van de dienbak vier saters op, uit wier leren zakken een gepeperde saus over de vissen stroomde, die als in een vijver zwommen. Hierop klapten wij in de handen (waartoe de slaven 't sein gaven) en vielen lachend op de uitgelezen lekkernijen aan. Ook Trimalchio was over deze goed gelukte grap niet minder in zijn schik dan wij en riep: ,,Deelman!'' Dadelijk trad de voorsnijder naar de tafel en sneed onder rhythmische bewegingen op de maat der muziek de spijzen op zulk een wijze, dat men hem voor de wagenstrijder zou gehouden hebben, die onder de van een waterorgel een schijngevecht levert. Toch bleef Trimalchio maar steeds op langgerekte toon roepen: ,,Deelman! Deelman!" Ik vermoedde, dat deze voortdurende herhaling met een of ander woordspeling in verband stond en schaamde mij niet, mijn buurman daar eens naar te vragen. Deze had meermalen dergelijke toneeltjes bijgewoond en zeide: ,,Zie je die slaaf, die de spijzen aan het verdelen is? Die heet Deelman. Zovaak als Trimalchio nu ,,Deelman" roept, noemt hij de naam van de voorsnijder en geeft hem tevens zijn order."
Ik kon tenslotte niets meer eten en wendde mij dus tot mijn buurman, om zo veel mogelijk te weten te komen; ik begon van 't begin af aan en vroeg, wie die dame was, die daar voortdurend op en neer liep. ,,Dat is de vrouw van Trimalchio" zeide hij; ,,zij heet Fortunata en meet haar geld met schepels. En kort geleden, wat was zij toen nog? Met je permissie, je zou geen stuk brood uit haar handen hebben willen aannemen. Nu is zij - hoe en waarom weten de Goden - als in de hemel en Trimalchio's rechterhand. Om kort te gaan, als zij hem op klaarlichten dag zou zeggen, dat het nacht was, dan zou hij 't geloven. Hij zelf weet niet, hoeveel geld hij heeft: zo puissant rijk is hij, maar dat loeder let op alles en is overal, waar je haar niet zou zoeken. Zij drinkt niet, is matig en niet dom, maar ze heeft een kwade tong, 't is een echte sofa-ekster: die zij graag mag, daar houdt ze van, en aan wie ze 't land heeft, die mag ze niet lijden. Haar man heeft landerijen, zover als de wouwen maar vliegen kunnen, en geld als water. In 't kamertje van zijn portier ligt meer zilverwerk, dan een ander zijn hele vermogen bedraagt. En dan zijn slaven! Deksels! Ik geloof, dat nog geen tiende deel van hen hun eigen meester kent. Om kort te gaan, hij is in staat ieder van die mooipraters in een muizenhol te drijven. En denk maar niet, dat hij ooit ergens iets koopt. Alles groeit op zijn eigen terrein, wol, citroenen, peper, ja al zou je kippenmelk willen hebben, je kunt 't er vinden. Om kort te gaan, de wol, die zijn schapen hem verschaffen, was hem niet goed genoeg: welnu, hij liet rammen uit Tarente komen en kruiste ze met zijn eigen moederschapen. Om Attische honig op zijn eigen grond te produceren, liet hij bijen uit Athene halen; zo zullen bovendien de inlandse door de Griekse nog wat veredeld worden." En hoor eens, dezer dagen liet hij uit Indië champignonzaad komen. Wat muildieren aangaat, hij heeft er geen enkel, dat niet van een wilde ezel afstamt. Ziet ge al die kussens; er is geen een, dat niet met purperen of scharlaken wol is opgevuld. Ja, hij heeft alles wat zijn hart begeert. Maar zie vooral niet neer op zijn medevrijgelatenen. Die zitten er ook warmpjes in. Zie je die man, die daar als de laatste op de laatste divan aanligt; hij heeft nu 800.000 sestertiën ( f 80.000.-). Hij is met niemendal begonnen. 't Is nog niet lang geleden, dat hij met hout op zijn hals sjouwde. Maar zoals de mensen zeggen - ik weet 't niet, ik heb 't maar van horen zeggen: toen hij een Boze Geest van zijn kap had beroofd, heeft die hem een schat getoond. Ik misgun niemand, wat de hemel hem gegeven heeft. Maar hij is wat poenig en wil zelf 't beste hebben. Zo liet hij zijn huisje van 't volgende opschrift voorzien: ,,C. Pompeius Diogenes biedt vanaf 1 Juli zijn zolderkamertje te huur aan, want hij heeft zelf een huis gekocht." En die daar, die op de plaats van de vrijgelatene ligt, hoeveel heeft die wel niet gehad! Ik verwijt 't hem niet. Hij heeft eenmaal een millioen sestertiën ( f100.000.-) gehad, maar nu staat hij zwak. Ik geloof, dat niet ieder haar van zijn hoofd van hem zelf is, maar, bij Hercules, dat is zijn schuld niet; hij is de beste kerel van de wereld; maar die vervloekte vrijgelatenen hebben hem uitgezogen. En onthoud wel; vele koks bederven de pap, en begint de zaak scheef te gaan, dan zijn de vrienden gevlogen. En wat een fatsoenlijk vak had hij, dat hij 't zo ver gebracht heeft. Hij was begrafenisondernemer. Hij dineerde als een koning: wilde zwijnen met huid en al, gebak en wild, ja, hij hield er de nodige koks en pasteibakkers op na. Er werd meer wijn onder zijn tafel gemorst, dan menigeen in zijn hele kelder heeft. Hij leefde niet als een mens, maar als een prins uit een sprookje. Maar toen de zaken misliepen en hij bang werd, dat de schuldeisers zouden denken, dat hij bankroet zou gaan, kondigde hij een verkoping aan met 't volgende bordje: ,,G. Julius Proculus zal zijn overtollige meubelen laten veilen."
Maar Trimalchio onderbrak deze genoegelijke gesprekken; want de dienbak was al weer weggedragen; de gasten, die in een vrolijke stemming waren geraakt, lieten zich de wijn goed smaken en het gesprek begon algemeen te worden. Onze gastheer leunde op zijn elleboog en sprak: ,,Deze wijn moet jullie zelf smakelijk maken. Vis moet zwemmen. Maar denkt ge, dat ik met het maal tevreden ben, dat jullie op de deksel van de dienbak gezien hebt? Staat Ulixes zo bekend, zou Vergilius zeggen. Ja, men moet ook aan tafel zijn letterkunde kennen. Mijn patroon is 't (zijn gebeente ruste in vrede) die van mij een mens gemaakt heeft. Men kan mij dan ook niets laten zien, dat ik niet ken, zoals dat laatste gerecht wel bewezen heeft. Deze hemel, waarin de twaalf Goden wonen, kan even zo veel gedaanten aannemen; soms b.v. wordt hij een ram. Wie nu onder dit teken geboren wordt, heeft veel vee, veel wol, bovendien is hij koppig, onbeschaamd en scherp. Onder dit teken worden veel schoolvossen en schaapskoppen geboren." Wij bewonderden de geestigheid van onze sterrenwichelaar, en hij ging voort: ,,Daarna komt de hele hemel onder de stier; daar worden dan de mensen geboren, die achteruit trappen, ossenherders en lieden, die voor hun eigen onderhoud zorgen. Onder de tweelingen ontstaan de tweespannen, ossen, de testikels en mensen, die van twee wallen eten. Onder de Kreeft ben ik zelf geboren. Daarom sta ik op verscheidene benen, en heb ik veel eigendommen te land en ter zee; want de kreeft voelt zich op 't droge en in 't water even goed thuis. Daarom heb ik al lange tijd geen spijzen op dit teken laten leggen, uit vrees, dat ik mijn horoscoop zou bederven. Onder de Leeuw worden veelvraten geboren en heerszuchtigen. In de Maagd vrouwen en weggelopen en geboeide slaven; onder de Weegschaal slagers, handelaars in parfumerieën en allen, die wat afwegen. Onder de Schorpioen giftmengers en moordenaars; onder de Schutter scheelkijkers, die naar de groente kijken en 't spek meepakken; onder de Steenbok arbeiders, die een hoornige huid krijgen door 't harde werk; in de Waterman kroegbazen en domkoppen; onder de Vissen koks en professoren in de redenaarskunst. Zo draait de wereld als een molensteen en deze beweging brengt ons altijd enig onheil, hetzij dat er mensen sterven of geboren worden. Wat nu die graszode in het midden aangaat en die honingraat daar boven op, ik doe niets zonder reden, want de aarde, onze moeder, rond als een ei, is 't hart van het heelal en bevat alle goede dingen, waarvan de honing 't zinnebeeld is.
,,Bravo," riepen wij allen tegelijkertijd en terwijl wij onze handen naar de zondering hieven, zwoeren wij, dat Hipparchus en Aratus bij hem vergeleken niets waren, tot ten slotte slaven kwamen, die op de rustbanken kleden legden, waarop jachtnetten waren geborduurd en jagers met jachtsprieten en alles wat bij een jacht behoort. Wij wisten nog niet, wat dit te betekenen had, toen er buiten de eetzaal een verschrikkelijk lawaai ontstond en Spartaanse honden rondom de tafel begonnen te lopen. Zij werden gevolgd door een dienbak met een geweldig grote ever er op met een vrijheidsmuts op zijn kop. Aan de slagtanden van 't dier hingen twee uit palmtakken gevlochten mandjes, het ene met verse, het andere met gedroogde dadels gevuld.
Daaromheen lagen kleine varkentjes van koekdeeg gemaakt, die als 't ware de borsten drukten, waardoor werd aangeduid dat een zeug werd opgediend. Ook deze biggetjes mochten de gasten als geschenk meenemen. Intussen verscheen voor 't aansnijden van de ever niet Deelman, die de vogels had gesneden, maar een reusachtige kerel met een lange baard, die beenkappen en een veelkleurig-geweven jachtmanteltje droeg. Deze trok een jachtmes en gaf de ever een flinke stoot in de zijde: en ziet, uit de wonde vlogen lijsters te voorschijn. Vogelvangers stonden met lijmroeden gereed en vingen ze in een ogenblik terwijl ze door de zaal rondfladderden. Toen Trimalchio daarop aan ieder zijn vogel had laten brengen, zeide hij: ,,Let nu eens op, wat een lekkere eikels deze bosbewoner gegeten heeft.'' Onmiddellijk gingen slaven naar de mandjes, die aan de slagtanden hingen, en verdeelden de verse en gedroogde dadels nauwkeurig onder de gasten.
Ondertussen dacht ik, die een rustig plaatsje aan tafel had, voortdurend na over de vraag, waarom de ever met een vrijheidsmuts op tafel was gekomen. Toen ik alle mogelijkheden had overdacht, waagde ik 't mijn buurman, die mij reeds over allerlei had ingelicht, de vraag te stellen, die mij geen rust liet. Deze zeide: ,,Dat zou zelfs je slaaf je kunnen vertellen; want dit is geen raadsel, maar iets heel eenvoudigs. Gisteren toen dit everzwijn als hoofdgerecht bestemd was, maakten de gasten er geen gebruik van; daarom keert het dier nu als vrijgelatene op 't gastmaal terug." Ik verwenste mijn domheid, en deed geen enkele vraag meer, om niet de indruk te maken, dat ik nog nooit bij nette mensen aan tafel had gezeten. Temidden van dit gesprek, ging een mooi knaapje met wijnloof en klimop bekransd, die nu eens de luidruchtige dan weer de van zorgenbevrijdende of de jubelende Bacchus voorstelde, met een mandje vol druiven rond en zong met een hoog stemmetje gedichten van zijn heer. Bij dit gezang wendde Trimalchio zich tot hem en zei: ,,Dionysus, je zult vrij zijn." Daarop nam de knaap de muts van de ever af, en zette hem op zijn eigen hoofd. Toen zei Trimalchio weer: ,,Jullie zult toegeven, dat ik een Liber pater heb''. Wij prezen deze woordspeling en kusten de knaap, die bij alle gasten rondging. Na dit gerecht stond Trimalchio op en verwijderde zich even. Daar wij ons nu door de afwezigheid van onze gastheer vrijer voelden, begonnen wij de gasten aan het praten te brengen. Dama was de eerste, die, toen hij om een grotere beker gevraagd had, zeide: ,,De dag is in een ogenblik voorbij. Nauwelijks heeft men zich omgekeerd, of het is nacht. Daarom is 't maar 't beste, zo van je bed aan tafel te gaan. Wat hebben we een lelijke kou gehad! 't Bad heeft mij niet warm gemaakt. Maar een warme drank is als een kleermaker, die je een lekker warm kledingstuk aantrekt. Ik heb flink gedronken; ik ben er soeserig van. De wijn is me naar m'n hoofd gestegen."
Toen mengde Seleucus zich in het gesprek: ,,Ik neem niet iedere dag een bad. Het bad werkt net als een wolkammer, 't heeft tanden, die aan ons lichaam knagen. Maar wanneer ik een beker honingwijn gedronken heb, dan kan de koude me niet bommen. Vandaag kon ik echter niet in het bad gaan, want ik was op een begrafenis. Die aardige kerel, die goede Chrysanthus, heeft zijn laatste adem uitgeblazen. Nog kort geleden sprak hij mij aan; 't is of ik nog met hem praat. Helaas, de mens gaat door 't leven als een opgeblazen zak op twee benen. We betekenen nog minder dan vliegen. Die hebben nog wat kracht in zich, wij zijn niets meer waard dan luchtbelletjes. En hoe zou 't wel met hem gegaan zijn, als hij geen dieet gehouden had. Vijf dagen lang heeft hij geen druppel water in de mond genomen, geen kruimeltje brood. En toch is hij daar heengegaan, waar we allemaal naar toe moeten. De dokters hebben hem doodgemaakt, of liever 't lot wilde 't zo. Een dokter doet niets anders dan je wat moed geven en je geruststellen. Met dat al is hij deftig begraven, op een bed met een prachtig doodskleed. Ook is hij behoorlijk beweend (hij had nog al wat slaven in vrijheid gesteld); alleen zijn vrouw die treurde niet erg om hem. Wat zou ze wel gedaan hebben, als hij haar niet zo goed behandeld had. Maar de vrouwen, de een zo goed als de andere, zijn echte roofvogels. Je moet voor geen enkele goed zijn; je werpt je weldaden in het water. Maar een oude liefde houdt je vast, als de scharen van een kreeft."
De spreker begon vervelend te worden en Phileros riep: ,,Laat ons toch over de levenden spreken. De man heeft gekregen, waarop hij recht had; hij heeft geleefd en is gestorven als een fatsoenlijk man. Waarover heeft hij zich te beklagen? Hij begon met een halve stuiver, en hij zou er geen bezwaar tegen gehad hebben, om een halve cent met zijn tanden uit een mesthoop te halen. Zo is hij langzamerhand omhoog gekomen, als een honingraat. Ik geloof warempel, dat hij een dikke 100.000 naliet, en alles in baar geld. Een ding wil ik ronduit zeggen, want ik heb een hondentong gegeten: hij had een brutale mond, hij praatte te veel, 't was geen man, maar één stuk onverdraagzaamheid. Neen, zijn broer, dat was een brave kerel, een echte vriend voor zijn vrienden, goedgeefs en wat at je lekker bij hem! In het begin had hij ,,pech", maar de eerste wijnoogst bracht hem er boven op; hij verkocht zijn wijn voor net duur als hij zelf verkoos. Maar wat hem pas flink op de been hielp, dat was, dat hij een erfenis kreeg, waarbij hij meer stal dan hem vermaakt was. En tenslotte liet die stommeling, omdat hij kwaad was op zijn broer, zijn vermogen aan de een of andere onbekende snuiter na. Iemand, die zijn eigen familie voorbijziet, die geeft om niets. Maar hij luisterde naar sommige van zijn slaven alsof het orakels waren, en die hebben hem verkeerde raad gegeven. Maar iemand, die te snel vertrouwt, zal 't nooit ver brengen, vooral niet als hij een handelsman is. Intussen blijft 't waar, dat hij plezier gehad heeft, zo lang hij leefde. Wie het krijgt die geniet er van, niet degeen voor wie 't bestemd is. Hij was een echt gelukskind; in zijn hand veranderde lood in goud. Maar 't is makkelijk, als alles op rolletjes loopt. En hoeveel jaren geloven jullie, dat hij achter de rug had? Meer dan zeventig. Maar hij was ijzersterk; hij droeg zijn leeftijd met ere; zijn haar was nog zo zwart als een raaf. Ik kende de man jaren lang, en tot het laatste liep hij gauw warm. Waarachtig, hij zou geen hond in huis met rust hebben gelaten; maar hij was ook op jongens verzot; hij was van alle markten thuis. En ik neem het hem niet kwalijk; hij heeft tenminste plezier gehad in zijn leven."
Dit zei Phileros. Daarop sprak Ganymedes: ,,Jullie praat daar over dingen die geen mens ter wereld interesseren, maar niemand denkt eens over de hoge korenprijzen, die ons knijpen. Ik heb vandaag, zo waar ik leef, geen mondvol brood kunnen machtig worden. En wat houdt die droogte lang aan! 't Is al een jaar lang honger lijden. Die aedilen kunnen voor mijn part naar de hel lopen; zij spelen met de bakkers onder één hoedje. De ene hand wast de andere. Daarom hebben wij kleine lui het zo slecht; want voor de voorname kaken is 't iedere dag feest. Ik wou, dat wij nog die reuzenkerels hadden, die ik hier vond, toen ik indertijd uit Azië kwam. Dat was een leven; wanneer 't brood niet van prima kwaliteit was, dat wasten zij die snuiters eens flink de oren, dat hun angst om 't hart sloeg. Ik herinner mij nog altijd die aediel Safinius; hij woonde indertijd, toen ik nog jong was, bij de oude triomfboog. Dat was geen mens, maar je reinste peper. De grond werd warm onder zijn voetstappen. Maar oprecht, betrouwbaar, een echte vriend voor zijn vrienden; met die man kon je gerust in 't donker ,,Bok, bok, hoeveel hoorns" spelen. En in 't raadhuis, wat zei hij ze daar stuk voor stuk de waarheid; hij sprak niet in bloemrijke stijl, maar voor 't vaderland weg. Wanneer hij op het forum optrad, dan zwol zijn stem tot trompetgeluid. En hij kreeg het er niet warm van, en hij spuwde niet onder 't spreken, net zo min als de Perzen. En wat beantwoordde hij vriendelijk onze groet; hij noemde ons allemaal bij de naam, alsof hij een der onzen was. Daarom was 't koren toen ook zo spotgoedkoop. Een brood, dat je voor een as gekocht had, dat kon je met je tweeën niet opkrijgen. Maar nu zijn de broden nog kleiner dan een koeienoog. En 't wordt met de dag slechter. De stad gaat ,,te gronde" alsof ze een kalfsstaart was. Maar waarom hebben we ook een aediel, die geen drie vijgen waard is en zelf liever een as verdient, dan dat hij zich om ons leven bekommert. Daarom leidt hij binnenshuis een lekker leventje en zijn dagelijks inkomen is groter dan het hele vermogen van een ander. Ik weet wel, waarmede hij zijn 1000 gouden denaren heeft verdiend. Als wij maar fut hadden, dan zou hij zoveel schik in zijn leven niet hebben, maar thuis zijn wij leeuwen en daarbuiten doodgewone vossen. Wat mezelf betreft, ik heb bijna alles tot op mijn hemd verteerd en als deze droogte aanhoudt, dan zal ik tenslotte nog mijn huisje moeten verkopen. Want wat zal er toch gebeuren, als goden noch mensen met onze stad medelijden hebben? Zo waar als ik van mijn kinderen plezier wil beleven, zo waar geloof ik, dat alles het werk is van de goden. Want geen mens gelooft meer, dat de hemel de hemel is. Niemand houdt meer zijn vastendagen, niemand geeft een zier om Juppiter, en allen bedekken hun ogen en tellen hun geld. Vroeger gingen de dames barrevoets naar het Capitool met fladderende haren en reine harten om Juppiter om regen te bidden; en dan viel de regen dadelijk met bakken uit de hemel, (want als 't dan niet regende, dan regende het nooit), en de hele wereld was blij, al waren de mensen ook zo nat als verdronken muizen. Ik zeg 't je: de goden willen niet naar ons luisteren, omdat wij niet vroom meer zijn. De velden liggen woest ..."
,,Spreek, als 't je belieft, niet zo somber," zei Echion, de lompenkoopman. ,,Nu eens zus, dan weer zo, zei de boer, die zijn bonte varken verloren had. Wat vandaag niet gebeurt, lukt morgen: zo is 't leven nu eenmaal. Bij Hercules, er zou geen betere stad bestaan, als de mensen maar verstand hadden. Tegenwoordig gaat 't er slecht mee, maar 't is niet de enige stad, die 't moeilijk heeft. We moeten 't niet te nauw nemen, het is overal precies hetzelfde. Als jij ergens anders woonde, dan zou je zeggen, dat hier de gebraden varkens maar zo rondlopen. Zie nu eens, binnenkort krijgen we een schitterend gladiatorengevecht, drie dagen lang met de feestdagen: geen troep beroepsgladiatoren, maar voor 't merendeel vrijgelatene. En onze vriend Titus is in alles wat hij doet royaal; 't is een heethoofd; bij hem is 't of dit of dat, maar in ieder geval iets buitengewoons. Ik ken hem heel goed; hij houdt niet van halve maatregelen. Hij zal geen houten zwaarden laten gebruiken, maar ijzeren; van vluchten zal geen sprake zijn, maar 't wordt een slachting voor 't publiek, dat 't hele amphitheater 't zien kan. En hij heeft er 't geld voor, want hij heeft 30.000.000 geërfd; zijn vader heeft 't ongeluk gehad dood te gaan. Al geeft hij er ook 400.000 van uit, daar zal zijn vermogen niet minder van worden, en zijn naam blijft eeuwig in ere. Hij heeft al een troepje boerenkinkels en een vrouw gehuurd, die op een wagen zal vechten en de rentmeester van Glycon, die betrapt werd, toen hij zijn meesteres wat amuseerde. Je zult een strijd van het publiek bijwonen tussen de jaloerse echtgenoten en de minnaars. Maar dat die Glycon een kerel, die geen dubbeltje waard is, zijn rentmeester voor de wilde dieren gebracht heeft! Dat is net zo goed als jezelf te grabbel gooien. Wat heeft nou een slaaf voor kwaad gedaan, die gedwongen wordt. Dan verdiende die oude waterpot eerder om door de stier op de hoorns te worden genomen. Maar die z'n ezel niet kan slaan, slaat 't zadel. Hoe kon nu Glycon geloven, dat het met de spruit van Hermogenes goed zou aflopen? De vader kon een vliegende wouw zijn klauwen afsnijden. 't Is een aardje naar haar vaartje. Maar Glycon heeft zijn familie aan de kaak gesteld; zo lang hij leeft, is hij gebrandmerkt, en alleen de Hades kan hem daarvan af helpen. Maar ieder moet nu eenmaal voor zijn eigen stommiteiten boeten. Ik heb zo'n idee, dat Mammaea ons een maaltijd zal aanbieden, en twee denaren voor mij en mijn vrienden. Als hij dat doet, dan ontneemt hij aan Norbanus al zijn populariteit. Je kunt er zeker van zijn, dat hij hem met volle zeilen voorbij vaart. Trouwens, wat heeft die Norbanus nu eigenlijk voor ons gedaan! Hij gaf ons gladiatoren, die geen sestertius waard waren, oude afgeleefde kereltjes; als je er tegenaan geblazen had, waren zij omgevallen. Neen, dan heb ik wel flinkere kerels met de wilde dieren zien vechten. De ruiters, die Norbanus liet doden, waren niet veel groter, dan de figuurtjes, die je soms op lampen ziet afgebeeld; je zou ze voor hanen hebben kunnen houden; de een was een oude knol, de ander had een horrelvoet, de derde, die de plaats innam van de man, die in het eerste tweegevecht gedood werd, was niet veel meer dan een lijk, dat de plaats van een ander lijk innam en had doorgehakte kniepezen. Er was maar één kerel met wat pit, een Thraciër; en die vocht nog volgens een van buiten geleerd lesje. Tenslotte zijn allen na afloop der voorstelling gegeseld, want 't publiek riep niets anders dan: ,,Geeft hun er van langs". 't Waren echte wezels. ,,Toch heb ik jullie een voorstelling gegeven" zei hij. ,,En ik heb geapplaudisseerd" zei ik. ,,Reken 't maar eens na; ik gaf je meer terug dan ik zelf kreeg. De ene dienst is de andere waard."
,,U kijkt net, Agamemnon, of u zeggen wilt: Wat is die vervelende kerel daar aan 't leuteren! Dat komt omdat u, die de kunst van spreken zo goed verstaat, geen mond open doet. U staat in stand boven ons, en daarom lacht u om die verhalen van ons, eenvoudige luidjes. Wij weten wel, dat u razend geleerd bent. Ik zou u op een goede keer wel eens willen overhalen, om op mijn boerderij te komen en mijn huisjes te bekijken. Wij zullen wel wat te bikken krijgen b.v. een kippetje, een paar eitjes; 't zal heel aardig zijn, al heeft het slechte weer dit jaar alles in de war geschopt. Maar we zullen wel wat vinden, om onze buik mee te vullen. En mijn zoontje wordt al zo groot, dat hij bij u les kan nemen. Hij kent de tafel van 4 al; als hij 't geluk heeft te blijven leven, dan zult u aan hem een geschikt knechtje hebben. Wanneer hij vrije tijd heeft, dan zit hij maar op zijn lei te kijken. 't Is een vlugge jongen en een goed soort jongen, al is hij ook letterlijk gek op vogels. Ik heb al drie van zijn putters de nek omgedraaid, en hem verteld, dat de wezel ze opgegeten had. Maar toen had hij weer een ander stokpaardje en zo doet hij nu niets liever dan schilderen. Bovendien is hij al met 't Grieks begonnen en hij krijgt al plezier in 't Latijn, hoewel zijn leermeester een pedante kerel is, die geen voet bij stuk houdt, en zelden komt. Hij heeft wel genoeg kennis, maar plezier om met de jongen te werken heeft hij niet. Ik heb nog een onderwijzer niet bijzonder knap, maar iemand, die zich veel moeite geeft, en hij leert mijn zoontje meer dan hij zelf geleerd heeft. Hij komt gewoonlijk op feestdagen bij ons aan huis, en is tevreden met alles, wat men hem geeft.
Ik heb voor mijn zoontje ook van die boeken met rode titels gekocht, omdat ik wil, dat hij ook wat thuis raakt in de wet: dat komt de familie te stade. In kennis van de wet zit een broodje. Want van de letterkunde weet hij nu genoeg. Heeft hij geen zin in de rechten , dan heb ik besloten hem een ambacht te laten leren; hij kan kapper worden, vendumeester of 't liefst nog zaakwaarnemer; want die kennis kan niemand hem afnemen, dan alleen de onderwereld. Daarom herhaal ik iedere dag opnieuw: ,,Primigenius, geloof me, alles wat je leert, dat leer je voor jezelf. Daar heb je nu die zaakwaarnemer Phileros; als die niets geleerd had, dan had hij niets te eten. Kort geleden sjouwde hij nog met koopwaar op zijn rug, want nu zet hij een hoge borst tegenover Norbanus. Een goede opleiding betekent een schat van geld, en wat je geleerd hebt, dat blijft je eeuwig bij."
Dergelijke gesprekken waren aan de gang, toen Trimalchio weer binnenkwam, zich het voorhoofd afveegde en zijn handen met wat reukwater waste. Na een korte poos sprak hij: ,,Neemt me niet kwalijk vrienden; al verscheidene dagen is mijn buik niet in orde. Ook de dokters weten niet, wat ze er aan moeten doen. Toch heeft een beetje granaatappelschil en hars opgelost in azijn me wat geholpen. Maar ik hoop, dat hij weer gauw zijn plicht zal doen. Anders rommelt mijn maag met 't geluid van een os. Als iemand van jullie even weg wilt gaan, hoeft hij zich niet te schamen. Niemand onder ons is van hout. Ik geloof niet, dat er een groter kwelling is, dan inhouden. 't Is het enige dat zelfs Jupiter niet kan verbieden. Jij lacht maar Fortunata, maar iedere nacht houd je me daardoor uit de slaap. Zelfs aan tafel verbied ik niemand om te doen, wat hij niet laten kan, en dokters keuren af, dat men zich inhoudt. En zo nodig, alles staat buiten klaar, water, stilletje en de andere kleinigheden. Gelooft me de gassen stijgen naar het hoofd en veroorzaken een zinking in het hele lichaam. Ik ken een boel mensen, die op die manier gestorven zijn, omdat ze niet ronduit voor de waarheid wilden uitkomen." Wij bedankten hem voor zijn vriendelijkheid en inschikkelijkheid en onderdrukten telkens ons lachen door een teug wijn. Wij wisten echter niet, dat wij nog lang niet, zoals men zegt, de hoogste top der genietingen beklommen hadden, maar dat wij eerst halverwegen waren. Want zodra de tafel onder orkestbegeleiding was afgenomen, werden drie witte varkens, van muilbanden en belletjes voorzien, in de zaal binnengebracht. ,,Een daarvan," zoo vertelde de slaaf, die de namen der spijzen moest opnoemen, ,,is twee jaar oud, het andere drie en het derde zes jaar." Ik dacht eerst dat er kunstemakers waren binnen gekomen en dat de varkentjes, zoals men dat soms op straat kan zien, enige kunstjes zouden vertonen. Maar Trimalchio stelde deze verwachting teleur door de vraag: ,,Welk van die varkens willen jullie onmiddellijk toebereid zien voor de maaltijd? Want een kip, ragout en andere dergelijke wissewasjes kan de eerste de beste boer ook klaar maken. Maar mijn koks braden in een ogenblik hele kalveren in hun braadpannen." Toen liet hij dadelijk een kok roepen, en gebood hem, zonder onze keuze af te wachten, het oudste varken te slachten. Daarop vroeg hij met luide stem: ,,Tot welke slavenafdeling behoor jij?", en toen hij antwoordde: ,,Tot de 40ste," zei Trimalchio: ''Ben jij gekocht, of hier geboren?" ,,Geen van beide," antwoordde de kok:,,Pansa heeft mij aan U bij testament vermaakt." ,,Zorg er dan voor, dat je de spijzen netjes opdient," zei Trimalchio, ,,of ik verlaag je tot de afdeling loopjongens."
De kok, die op deze wijze aan de macht van zijn meester was herinnerd, volgde het aanstaande gerecht naar de keuken. Trimalchio keek nu met vriendelijke blik naar ons, en zei: ,,Als de wijn jullie niet bevalt, dan zal ik andere laten halen, maar je moet hem eer aandoen. Dank zij de Goden hoef ik nooit wijn te kopen, maar ieder merk, dat ons nu zo lekker smaakt, groeit op een van mijn landgoederen, dat ik nog niet ken. Het moet aan mijn bezittingen bij Tarracina en Tarentum grenzen. Ik ben nu van plan mijn landerijen door aankoop in Sicilië af te ronden, om, als ik eens naar Afrika wil, door eigen grondgebied te kunnen varen.
Maar vertel mij eens, Agamemnon, over welk onderwerp heb je vandaag een declamatie gehouden? Want al ben ik geen advocaat, ik heb toch wat aan letterkunde gedaan, om er in eigen kring mijn nut mee te doen. Denk vooral niet, dat ik voor de studie mijn neus heb opgetrokken; ik heb twee bibliotheken, één van Griekse boeken en één van Latijnse. Zeg me daarom, als je wilt, het onderwerp van je rede." Toen Agamemnon antwoordde: ,,Een arme en rijke man waren vijanden," vroeg Trimalchio: ,,Wat versta je eigenlijk onder een arme man?" ,,Rake vraag", zei Agamemnon, en vertelde hem de korte inhoud van zijn rede. Dadelijk daarop sprak Trimalchio: ,,Als dat werkelijk gebeurd is, dan is het geen stof, om over te debatteren, en als het niet gebeurd is, dan is het helemaal niets."
Toen wij deze en andere geestigheden met de meest enthousiaste loftuitingen hadden geprezen, ging Trimalchio voort: ,,Vertel mij eens, waarde vriend Agamemnon, herinner je je de twaalf werken van Hercules, en die geschiedenis van Ulysses, hoe de Cycloop hem met een nijptang de duim omdraaide? Toen ik jong was, las ik die dingen in Homerus. En ik zag met eigen ogen de Sibylle in een flesje hangen, en telkens wanneer de kinderen vroegen: ,,Sibylle, wat wil je?" antwoordde zij: ,,Ik wil sterven."
Hij had nog niet al zijn geleerdheid uitgekraamd, of een schotel met het enorm grote zwijn nam de tafel in beslag. Wij spraken natuurlijk onze bewondering uit over de vlugheid van de kok, en zwoeren, dat zelfs een haan niet zo snel had kunnen gebraden worden, vooral, omdat het tamme varken veel groter scheen te zijn dan het wilde, dat wij kort tevoren gehad hadden. Toen Trimalchio het hoe langer hoe nauwkeuriger bekeek, zei hij eindelijk: ,,Wat! Zijn de ingewanden er niet uitgenomen? Warempel niet, bij Hercules! Roep gauw de kok hier." Toen de kok treurig bij de tafel kwam staan en zeide dat hij vergeten had de ingewanden er uit te nemen, bulderde Trimalchio: ,,Wat! Vergeten! Je zou denken, dat de kerel alleen maar vergeten had er wat peper en komijn bij te doen. Trek hem zijn kleren uit." In een ogenblik was dit geschied. Bedroefd stond de kok tussen twee geselslaven. Nu begonnen allen Trimalchio te smeken: ,,Zoiets komt wel meer voor," zeide men, ,,kom, scheld hem de straf kwijt; als hij het later nog eens doet, zal niemand van ons voor hem genade vragen."
Ik echter bleef streng en onbarmhartig en kon mij niet inhouden maar fluisterde Agamemnon in het oor: ,,Drommels, dit moet een prul van een slaaf zijn; wie kan nu vergeten de ingewanden uit een zwijn te halen? Ik zou het hem nog niet vergeven, als hij er bij een vis niet om gedacht had." Maar Trimalchio deed dit niet, en zeide, toen zijn gelaat weer vrolijk geworden was: ,,Nu, daar je zo'n slecht geheugen hebt, doe er dan hier de ingewanden maar uit." De kok trok zijn kleren dus weer aan, nam zijn mes, en sneed met voorzichtige hand de buik van 't zwijn hier en daar open; en ziet, het duurde niet lang, of uit de openingen, die door de druk van 't gewicht nog groter werden, rolden saucijsjes en bloedworsten. De slaven begonnen bij 't zien van dit wonder in de handen te klappen en wensten Gaius geluk. De kok werd niet alleen met een dronk geëerd, maar ook met een zilveren krans, en tevens reikte men hem een beker op een schaal van Corinthisch metaal.
Toen Agamemnon de beker nader bekeek, zeide Trimalchio: ,,Ik ben de enige, die echt Corinthisch metaal bezit." Ik verwachtte, dat hij op zijn gewone blufferige manier zeggen zou, dat zijn bekers hem regelrecht uit Corinthe gestuurd werden, maar hij maakte het beter. Hij zeide: ,,Misschien verlang je te weten, waarom ik alleen echt Corinthisch metaal bezit? Ik zal het je zeggen: omdat de koopman, van wie ik het koop, Corinthus heet. En wat is nu Corinthisch anders dan wat van Corinthus komt? Maar jullie moet me niet voor zo onnozel houden, ik weet heel goed, hoe 't Corinthische metaal ontstaan is. Toen Troja was ingenomen, liet Hannibal, een sluwe listeling, alle bronzen, gouden en zilveren beelden op één brandstapel brengen en in brand steken. Toen smolten de verschillende metalen tot één metaal samen. Van dit mengsel namen de goudsmeden wat af en maakten er borden, schotels en beeldjes van. Zo is dus Corinthisch metaal uit een mengsel ontstaan: het is geen vlees en geen vis. Jullie zult het mij niet kwalijk nemen, als ik 't zeg; maar ik houd meer van glas, want in ieder geval riekt 't niet zo lelijk. Ja, als het niet zo breekbaar was, dan had ik 't nog liever dan goud; maar zoals glas nu is, heeft 't geen waarde. Er was echter een kunstenaar, die een glazen beker maakte, die onbreekbaar was. Men liet hem dan ook met het geschenk bij de keizer toe; vervolgens deed hij alsof hij de beker aan de keizer in handen gaf en liet hem op de grond vallen. De keizer ontstelde hevig, maar toen de kunstenaar de beker opraapte, was hij alleen een beetje gedeukt, alsof hij van brons was. Daarna haalde de man een hamertje uit zijn kleedplooi en gaf de beker op zijn gemak weer netjes de oude gedaante terug. Toen de glasbewerker dat gedaan had, geloofde hij, dat de Olympus zich voor hem zou openen, vooral toen de keizer sprak: ,,Is er nog een ander, die zulk glas kan maken, denk eens na." Toen de kunstenaar hem ontkennend geantwoord had, liet de keizer hem onthoofden, omdat het goud, als dit bekend werd, net zoveel waarde zou hebben als slijk. Van zilver vaatwerk houd ik bijzonder veel. Ik heb wel 100 bekers van 13 liter inhoud. Op een daarvan is voorgesteld, hoe Cassandra haar zonen vermoordt. En de dode kinderen liggen natuurlijk, dat je ze voor levend zou houden. Dan heb ik nog duizend drinkbekers, die Mummius aan mijn patroon heeft nagelaten. Hierop is afgebeeld, hoe Daedalus Niobe in het Trojaanse paard opsloot. Ook staan de gevechten van Hermeros en Petraites op een van mijn bekers, allemaal loodzware bekers. Ja, ik zou mijn kunstgevoel voor geen geld willen verkopen."
Terwijl hij dit vertelde, liet de dienaar een beker vallen. Trimalchio zag hem aan en zeide: ,,Vooruit, gauw geef jezelf een klap, omdat je zo lomp bent." Dadelijk trok de knaap een lip en smeekte genade, maar Trimalchio sprak: ,,Waarom smeek je mij, alsof ik je wat doen wil. Ik raad je aan, om aan jezelf te vragen, niet meer zo lomp te zijn." Eindelijk schonk hij hem op ons verzoek de straf en de slaaf, die vergiffenis gekregen had, liep rondom de tafel ... Daarop riep Trimalchio:,,Water eruit, wijn erin." Wij prezen de aardigheid zeer, en vooral Agamemnon, die wel wist, hoe men weer een uitnodiging voor een diner kon krijgen.
Intussen dronk Trimalchio tengevolge der complimenten steeds met meer genoegen en riep reeds half dronken: ,,Vraagt dan niemand van u, of mijn vrouw Fortunata eens wil dansen? Gelooft me. Geen mens danst zo mooi de cancan als zij." Hij zelf hief nu zijn handen boven 't hoofd en bootste de pantomimendanser Syrus na, terwijl alle slaven in koor een Grieks liedje zongen. Hij zou dan ook als danser opgetreden zijn, als Fortumata hem niet iets in 't oor gefluisterd had; zij zal hem wel gezegd hebben, denk ik, dat dergelijke dwaasheden niet met zijn waardigheid overeenkwamen. Nooit zag ik hem zo besluiteloos: nu eens hield hij zich uit eerbied voor Fortunata in, dan weer wilde hij zijn dans opnieuw beginnen.
Trimalchio's lust om te dansen werd plotseling geremd door de komst van een secretaris, die met luider stem voorlas, als was het uit een staatscourant: ,,26 Juli: op het landgoed bij Cumae, dat aan Trimalchio toebehoort, geboren 30 knaapjes, 40 meisjes. Van de dorsvloer naar de graanzolder gebracht 500.000 schepels tarwe; 500 ossen onder 't juk gespannen. Diezelfde dag: de slaaf Mithridates aan 't kruis geslagen, omdat hij de beschermgod van onze meester had belasterd. Diezelfde dag, in de geldkist gelegd 10.000.000 sestertiën, omdat men er geen bestemming voor had. Diezelfde dag: in het Pompejaanse park brand uitgebroken, die ontstond in de woning van de opzichter Nasta." ,,Wat," zei Trimalchio, ,,wanneer is dat Pompejaanse park voor mij gekocht?" ,,Het vorige jaar mijnheer," zei de secretaris; ,,daarom is het nog niet geboekt." Nu werd Trimalchio woedend, en sprak: ,,Wanneer voor mij land gekocht is, waar ook, en ik heb dat niet binnen een half jaar vernomen, dan wil ik niet, dat het mij in rekening wordt gebracht." Daarna werden beslissingen der aedilen voorgelezen, en testamenten van jachtopzieners, waarin Trimalchio door een speciaal codicil buiten de erfenis was gehouden; dan de namen van de opzichters, die van een vrijgelatene, die door een nachtwacht verstoten was, omdat zij betrapt was in de kamer van een badmeester, en die van een opzichter van het atrium, die naar Baiae was verbannen; tenslotte werd vermeld, dat een rentmeester in staat van beschuldiging was gesteld, en dat het vonnis was geveld door een rechtbank van kamerdienaars.
Eindelijk kwamen de koorddansers. Een buitengewoon domme stoffel van een man stelde zich met een ladder op, en liet een knaap op de sporten en op 't hoogste punt van de ladder dansen en zingen; daarop liet hij hem door brandende hoepels springen en gelastte hem een aarden pot met zijn tanden vast te houden. Trimalchio was de enige, die deze kunststukjes bewonderde. ,,Een ondankbaar vak," zei hij; ,,ik houd trouwens maar van twee dingen op de wereld, van koorddansers en van hoornblazers; alle andere amusementen voor het oor beschouw ik als humbug. Ik had ook", ging hij voort, ,,toneelspelers gekocht om een Grieks stuk op te voeren, maar ik heb ze liever een Atellaanse klucht laten spelen, en mijn Griekse fluitist moest voor mij geen andere dan Latijnse liedjes spelen."
Juist, toen hij dit zei, viel de knaap van de ladder boven op Trimalchio's arm. De bedienden schreeuwden van angst, en de gasten niet minder, niet om die pummel van een gastheer, die zij gaarne zijn nek hadden zien breken, maar uit vrees, dat het diner wel eens een onaangenaam einde kon hebben, en dat zij misschien gedwongen zouden zijn een sterfgeval te betreuren, dat hun zo koud liet als ijs. Toen Trimalchio luid kreunde en zijn arm bekeek, alsof hij gekwetst was, kwamen dokters aanhollen, en vóór allen uit liep zijn vrouw Fortunata met loshangend haar, en een drinkbeker in de hand, terwijl zij uitriep:,,O, wat ben ik ongelukkig, wat ben ik er ellendig aan toe!" Wat de knaap betreft, die van de ladder gevallen was, deze wierp zich voor onze voeten en bad om vergiffenis. Ik vond het een vervelende geschiedenis, en was bang dat op deze smeekbeden weer een grappige verrassing zou volgen, want ik was dat gevalletje met de kok nog niet vergeten, die verzuimd had de ingewanden uit 't zwijn te halen. Daarom keek ik de hele eetzaal rond, of de wand zich nog niet opende, om een of andere verrassing te brengen, vooral toen men de slaaf begon te geselen, die de gekneusde arm van zijn geer met witte wol had omwikkeld , in plaats van purperen wol te gebruiken. Mijn vermoeden was niet zo ver mis: want in plaats van straf volgde een bevel van Trimalchio, om de knaap vrij te laten, opdat niemand zou kunnen zeggen, dat een zo groot man door een slaaf gewond was.
Wij betuigden onze instemming met deze daad, en babbelden over de wisselvalligheid van 't menselijk leven.
,,Ja," zei Trimalchio, ,,wij mogen deze gebeurtenis niet zonder een toepasselijk gedichtje laten voorbijgaan." Daarop vroeg hij dadelijk om een schrijftafeltje en, zonder zich lang met denken af te tobben, las hij de volgende verzen voor:


«»

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (VA2) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2010. Content in this page is licensed under a Creative Commons License