Caius Petronius
Het Gastmaal van Trimalchio

III

«»

Link to concordances:  Standard Highlight

Link to concordances are always highlighted on mouse hover

,,Wat men niet heeft verwacht ziet men dikwijls gebeuren,
Vaak beschikt de Fortuin buiten ons om wat zij wil.
Daarom geef ons, knaap, fijne Falernische wijn."

Van dit epigram kwam 't gesprek op de dichters en lange tijd werd de eerste rang aan Mopsus uit Thracië toegekend, tot Trimalchio op eens tot Agamemnon zeide: ,,Vertel mij eens, professor, welk verschil is er volgens uw mening russen Cicero en Publilius?Ik vind dat de eerste meer welsprekend was, en dat de laatste meer levenslessen biedt. Kan men zich iets beters denken dan deze verzen:

Uw stad, Romein, gaat aan haar weeldezucht te loor.
Voor úwe tongen mest men vet de gulden pauw,
Wiens vederdos een Babylonisch kleed gelijkt.
Voor ú sterft d'Afrikaanse kip en de kapoen;
Ja zelfs de kindervriend, d'uitheemse ooievaar, -
Die, vleugelklappend, op zijn tere poten loopt,
Die 's winters wegtrekt, en de zoele lente brengt -
Vindt nu zijn laatste rustplaats in een ijz'ren pot.
Wat hebt gij toch aan paarlen uit de Rode zee?
Is 't soms, dat vrouwen met die zeegeschenken aan haar hals
In hartstocht schaamt'loos liggen in haar minnaars bed?
Wat baat smaragd, dat groene kostb're schitterglas,
Wat geven u karbonkels van 't Carthaagse land?
Zou soms uw braafheid beter blijken door hun glans?
Moet een getrouwde vrouw zich hullen in doorschijnend kleed,
Moet zij naakt te zien zijn door een wolk van dunne stof?


«»

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (VA2) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2010. Content in this page is licensed under a Creative Commons License