IntraText Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library | Search |
IV | «» |
,,Welke kunst," zeide Trimalchio, ,,dunkt u het moeilijkst na de
letteren? Ik geloof, dat de dokter en de geldwisselaar het lastigste vak
uitoefenen: de dokter, omdat hij weet, wat de mensen van binnen achter hun
ribben hebben en wanneer de koorts op komst is, hoewel ik de geneesheren niet
kan uitstaan, omdat ze mij zo dikwijls anijswater voorschrijven; de
geldwisselaar, omdat hij door de zilveren laag het koper moet ontdekken. Wat 't
stomme vee betreft, vind ik dat de ossen en de schapen het meest arbeidzaam
zijn: de ossen omdat wij aan hun arbeid danken, dat wij brood eten, de schapen
omdat zij maken, dat wij met hun wol kunnen pronken. En is dat niet
schandelijk? Een mens eet schapenvlees en draagt een wollen tunica. Maar de
bijen vind ik hemelse dieren, omdat zij honing spuwen, al zegt men ook, dat zij
die honing van Juppiter krijgen. Dat zij steken, vindt hierin zijn verklaring,
dat bij iets zoets altijd iets onaangenaams komt."
Reeds was hij op het punt de wijsgeren onder de duiven te schieten, toen loten
in een beker rondgegeven werden, en een daartoe bestemde slaaf de lijst van
geschenken voorlas, die de gasten mee naar huis mochten nemen, ,,Misdadig
zilver": een ham werd op tafel geplaatst, met een zilveren azijnstel er
boven op. ,,Een hoofdkussen": een stukje schapenhals werd aangeboden.
,,Late wijsheid en smaad": zoute hardgebakken broodjes en een staak met
een appel. ,,Prei en perziken": een zweep en een dolk. ,,Mussen en een
vliegenvanger": rozijnen en Attische honing. ,,Iets voor diners en 't
zakenleven": een stukje vlees en schrijfgereedschap. ,,Iets voor de hond
en voor de voet": de gast kreeg een haas en een sandaal. ,,Een muraena
(zeevis) en een letter": een muis die aan een kikker was gebonden en een
bundel beetwortels.
Wij lachten er geruimen tijd om. Er waren honderden andere dergelijke
cadeautjes, maar ik ben vergeten welke.
Toen Ascyltos, zonder zich aan iets te storen, met omhoog geheven handen alles
bespotte en lachte, tot hij tranen in de ogen kreeg, werd een van Trimalchio's
medevrijgelatenen woedend; het was juist degene, die een plaats boven mij aan
tafel had. ,,Waarom lach je toch, schaapskop?" zei hij . ,,Valt de
verfijnde luxe van mijn meester niet in je smaak? Je bent natuurlijk rijker en
je dineert gewoonlijk beter dan vandaag. Zo waar als ik hoop, dat de
beschermgodin van deze plaats mij genadig moge zijn, zo waar zou ik, als ik
naast hem aan tafel zat, wel een einde aan dat geblaat hebben gemaakt. Zo'n
rotte appel, die anderen durft uit te lachen! Zo'n dakloze, zo'n
nachtwandelaar, nog niet zoveel waard als zijn eigen water. Als ik rondom hem
een kringetje waterde, zou hij niet weten waarheen hij moest vluchten. Ik word
niet gauw kwaad, maar als het vlees slap wordt, dan komen de wormen. Hij lacht
maar. Wat heeft hij voor reden om te lachen? Is hij uit kostbaarder stof
gemaakt dan andere mensen? Ben jij een Romeins ridder? Ik ben een koningszoon.
Waarom ik dan slaaf geweest ben, zul je zeggen. Doordat ik mij zelf vrijwillig
in slavernij begeven heb en liever Romeins burger wilde worden, dan een
belastingbetalend vorstje. Ik hoop, dat mijn leven niemand aanleiding geeft tot
spot.
Ik ben niet minder waard dan andere mensen; loop blootshoofds op straat; ben
niemand een koperen duit schuldig; ben nog nooit voor de rechtbank geweest;
niemand heeft op het Forum tegen mij gezegd:,,Betaal wat je schuldig
bent." Ik heb een paar stukjes land gekocht; ik bezit wat geld; ik geef 20
magen te eten, zonder nog van mijn hond te spreken; mijn medeslavin heb ik
vrijgekocht, opdat niemand aan haar kleed zijn handen zou kunnen afdrogen.
Duizend denaren heb ik voor mijn eigen vrijheid betaald. Ik ben tot zesman
benoemd, zonder dat het mij een cent heeft gekost. Ik hoop dan ook in zulke
omstandigheden te sterven, dat ik mij na mijn dood niet behoef te schamen. Maar
heb jij het zo druk, dat je geen tijd hebt, om eens achter je te kijken? Je
ziet wel een luisje bij een ander maar niet de schapenluis bij jezelf. Jij bent
de enige die ons belachelijk vindt. Daar zit je leermeester, een man op
leeftijd; aan hem bevallen wij. Jij melkmuil, je zegt geen boe of ba, je bent
een hol vat, een natte leren riem; neen, je bent nog slapper, maar niet beter .
Ben je rijker dan ik? Eet dan tweemaal per middag en tweemaal 's avonds. Ik heb
liever mijn crediet dan schatten geld. In één woord, wie heeft mij ooit hoeven
te manen? Veertig jaar heb ik gediend, maar niemand heeft ooit geweten, of ik
een slaaf was of een vrij man. Ik was nog een jongen met lang haar, toen ik
hier in de stad kwam; de basilica was nog niet gebouwd. Ik heb gedaan, wat ik
kon, om het mijn heer naar de zin te maken, een hooggeëerd en waardig man,
wiens vingernagel meer waard was, dan jij van het hoofd tot de voeten. Er waren
mensen in huis, die mij nu en dan beentje wilden lichten, maar dankzij zijn
Beschermgeest wist ik mij boven water te houden. Dat is pas ware verdienste,
want als vrij man op de wereld te komen is net zo makkelijk als te zeggen: 'Kom
eens hier.' Wat staar je me nu aan, als een bok in een veld met
paardebonen?"
Na deze woorden barstte Giton , die achter ons stond, zeer ongepast in een
schaterend gelach uit, dat hij reeds lange tijd had trachten te onderdrukken.
Toen Ascyltos' tegenstander dit bemerkte, richtte hij zijn scheldwoorden tegen
Giton en zeide: ,,Begin jij ook al te lachen, jij gekrulde ui? Hebben wij soms
het Saturnaliënfeest, zeg, is 't nu December? Wanneer heb je 5% betaald? Wat
wil dat galgenaas, dat ravenvlees? Ik zal er voor zorgen, dat je de toorn van
Juppiter eens voelt, jij en die man, die je niet onder de duim houdt.
Zo waar als ik steeds genoeg brood hoop te hebben, laat ik je uit
vriendelijkheid jegens mijn gastheer met rust: anders had ik je op staande voet
je verdiende loon gegeven. Wij hebben hier allemaal veel plezier, maar die lui,
die je niet onder de duim houden, zijn nonsenskerels. 't Is waar, wat 't
spreekwoord zegt: zo de heer, zo de knecht. Ik kan me haast niet inhouden, en
toch ben ik geen driftkop, maar wanneer ik begin, dan geef ik zelfs om mijn
moeder geen twee duiten. Maar ik beloof 't je, ik zal je op straat wel krijgen,
jou rat, jou molshoop. Mijn groei mag stilstaan, als ik je meester niet klein
krijg, en jou zal ik ook niet sparen, al schreeuw je zo hard, dat Juppiter het
op de Olympus kan horen. Ik zal maken, dat je mooie, lange haren en je meester,
die geen 2 duiten waard is, je geen zier helpen. Enfin, ik zal je onder handen
nemen; òf ik ken mezelf niet òf je zult me voortaan niet meer uitlachen, al had
je ook een vergulde baard, zoals een godenbeeld. Ik zal maken, dat de godin
Athene 't jou betaald zet en ook je meester, die je 't eerst heeft leren
gehoorzamen. Ik heb geen wiskunde, geen kritiek en andere dwaasheid geleerd,
maar ik kan opschriften op steen lezen, ik kan munt, maat en gewicht door 100
delen. Kort en goed, laten wij, als je wilt, een weddenschap aangaan; kom op,
hier is mijn inzet. Dan zul je zien, dat je vader het schoolgeld voor jou voor
niets heeft uitgegeven, al ken je dan ook rhetorica. Zie eens:
,,Welk lichaamsdeel ben ik, ik ga in de lengte, ik ga in de breedte"; los
dit raadsel eens op. Luister nu verder: ,,Welk deel van ons beweegt zich en
komt toch niet van zijn plaats, welk deel van ons groeit en wordt
kleiner". Je loopt heen en weer, staat met je mond vol tanden en tobt je
af als een muis die in een pot gevallen is. Houd dus je mond of houd op, je
meerdere te hinderen, je meerdere zeg ik, die zich net zoveel van je aantrekt,
alsof je niet geboren was. Denk je misschien, dat ik bewondering heb voor die
bukshouten ringen, die je van je meisje gestolen hebt? Moge Occupo mij genadig
zijn. Laten wij naar het Forum gaan en geld ter leen vragen. Dan zul je zien,
dat deze eenvoudige ijzeren ring van mij crediet heeft. Een mooi ding, zo'n
halfverdronken vos als jij bent. Zowaar moge ik goede zaken doen en onder zo
gelukkige omstandigheden doodgaan, dat de mensen bij mijn begrafenis zweren,
zowaar als 't een feit is, dat ik jou overal met opgeschorte toga achtervolgen
zal. Een mooie meneer , die je zo'n opvoeding geeft; 't is een idioot in plaats
van een opvoeder. Neen, dan hebben wij anders les gehad. Mijn onderwijzer zei
altijd:,,Alles in orde, jongens? Dan regelrecht naar huis; niet overal
rondgluren, past op,dat je de grote mensen niet bespot." Maar nu zijn 't
allemaal jongens van niks; geen een is twee duiten waard. Ik, zoals je me hier
ziet; ik dank de goden voor alles wat ik in mijn tijd heb geleerd."
Ascyltos wilde juist op deze stortvloed van verwijten antwoorden, maar
Trimalchio sprak, verheugd over de welsprekendheid van zijn
medevrijgelatene:,,Kom, nu geen gekibbel meer. Laten wij ons liever amuseren,
en jij, Hermeros, spaar dat ventje een beetje. Zijn bloed raakt gauw aan 't
koken; wees jij nu wijzer dan hij. In deze soort dingen is de overwonnene de
eigenlijke overwinnaar. Toen jij nog een jong haantje was, kraaide je ook
kukeleku, en verstand had je niet. Laat ons daarom, wat veel beter is, weer
opnieuw vrolijk zijn en eens naar de Homeristen kijken." Tegelijkertijd
trad een schaar Grieken en Trojanen binnen, die met de lansen tegen hun
schilden sloegen. Trimalchio ging op een kussen zitten, en toen de Homeristen
een dialoog van Griekse verzen hielden, zoals zij dat met veel bombarie plegen
te doen, las hij met zingende stem een Latijnse tekst voor. Toen kort daarop
een pauze intrad, zei hij: ,,Weet ge welk stuk ze opvoeren? Er waren eens twee
broers, Diomedes en Ganymedes; die hadden een zuster Helena. Agamemnon roofde
haar en bood in haar plaats aan Diana een hinde aan. Homerus vertelt nu, hoe de
Trojanen en Parentijnen met elkaar vochten. Agamemnon won het natuurlijk en gaf
zijn dochter Iphigenia aan Achilles tot vrouw. Daarom werd Ajax krankzinnig;
hij zal u dadelijk de inhoud van 't stuk verduidelijken." Toen Trimalchio
dat gezegd had, hieven de Homeristen een geschreeuw aan, en midden tussen de
door elkaar lopende slaven werd op een schotel van 200 pond een gekookt kalf
binnengebracht met een helm op zijn kop. Daarachter liep Ajax, die met
getrokken zwaard, als een waanzinnige, op het kalf inhakte. En terwijl hij nu
eens met de punt, dan weer met de platte kant van zijn zwaard om zich heen
sloeg, prikte hij de stukken vlees aan de punt en verdeelde het kalf onder de
verbaasde gasten.
Wij hadden niet lang de tijd om deze smaakvolle verrassingen te bewonderen; want
plotseling begon de zoldering te kraken en de hele zaal dreunde. Ontsteld
sprong ik op, want ik was bang, dat door 't plafond een of andere koorddanser
naar beneden zou dalen. Ook de overige gasten, die niet minder verwonderd waren
dan ik, rekten hun halzen en keken vol spanning naar het nieuws, dat de hemel
hun zou verkondigen. En ziet, plotseling ging het plafond open., en een
ontzaglijk grote hoepel, die ongetwijfeld van een geweldig groot vat was
afgenomen, daalde naar beneden; aan deze hoepel hingen in het rond gouden
kransen met flesjes odeur. Terwijl men ons verzocht deze als geschenken in
ontvangst te nemen, keek ik weer naar de tafel. Daarop was al weer een blad met
koeken geplaatst, en in het midden stond een door de bakker vervaardigde
Priapus, die, zoals dat gewoonlijk het geval is, in zijn tamelijk wijde schort
allerlei boomvruchten en druiven droeg. Wij strekten begerig onze handen naar
deze lekkernijen uit, en dadelijk daarna verwekte een nieuwe verrassing weer
grote vrolijkheid. Uit koeken en vruchten spoot bij de geringste aanraking
safraan, en deze onaangename vloeistof kwam ons zelfs in de mond. In de mening,
dat dit gerecht, dat met een ritueel vocht was besprenkeld, een godsdienstige
betekenis had, stonden wij op en zeiden: ,,De keizer, de vader des vaderlands,
heil." Toen na deze huldiging enigen van ons naar de vruchten grepen,
vulden ook wij onze servetten: vooral ik zelf, omdat ik meende, dat ik
Giton's kleedplooi niet genoeg met geschenken kon vullen.
Ondertussen traden drie knapen binnen in korte witte tunica's gekleed; twee
hunner plaatsten op de tafel Larenbeeldjes met gouden medailles om de hals; de
derde gaf een schaal wijn rond en riep: ,,Goden, zijt ons genadig."
Trimalchio vertelde ons, dat de een Profijtman, de tweede Geluksman, en de
derde Winstman heette. Daarop bracht men een sprekend-gelijkende buste van
Trimalchio zelf, en daar ieder dit beeldje eerbiedig kuste, waagden wij 't
niet, ons aan deze plicht te onttrekken.
Toen daarop ieder zichzelf ,,goed verstand en goede gezondheid" had
gewenst, wendde Trimalchio zich tot Niceros en zeide: ,,Gewoonlijk ben je
vrolijker aan de maaltijd dan nu; ik weet niet waarom je zo stil bent en geen
mond opendoet. Vertel ons eens dat avontuur, dat je beleefd hebt, als je mij
een genoegen wilt doen." Daarop zei Niceros, door de hartelijkheid van
zijn vriend gestreeld: ,,Alle winst mag mijn neus voorbijgaan, als ik niet
reeds lang van vreugde zwel, omdat je zo vriendelijk voor mij bent. Laten wij
ons daarom eens echt amuseren, al ben ik ook voor die geleerde mensen bang, dat
ze mij zullen uitlachen. Maar laat ze hun gang maar gaan; ik zal de
geschiedenis toch vertellen, want wat schaadt mij zoo'n lacher? 't Is beter
zelf een grappige geschiedenis te vertellen, dan dat men er een over mij vertelt."
,,Toen hij dat had gezegd" (zou Vergilius zeggen), begon hij het volgende
verhaal te vertellen: ,,Toen ik nog een slaaf was, woonden wij in een nauw
straatje; nu behoort het huis aan Gavilla. Daar werd ik (zoals de goden dat
soms willen) verliefd op de vrouw van de kroeghouder Terentius; jullie hebt
haar wel gekend, Melissa, dat vrouwtje uit Tarentum, een allerliefst dikkertje.
Maar ik hield van haar niet om haar schoonheid, of uit wellust, maar meer omdat
ze zo'n goed karakter had. Wat ik ook aan haar vroeg, nooit zei ze
,,neen"; als zij een as verdiende, dan kreeg ik er de helft van;
wat ik spaarde, ging in haar beurs, en nooit heeft ze mij een stuiver te kort
gedaan. De man van deze vrouw nu, kwam op een keer te overlijden, ergens buiten
op 't land. Daarom zette ik alle zeilen bij, om haar te bezoeken, want in 't
ongeluk (zegt het spreekwoord) leert men zijn vrienden kennen.
Nu wilde 't toeval, dat mijn meneer naar Capua was gegaan, om oude lorren te
verkopen. Ik maakte van de gelegenheid gebruik, en haalde een gast, die wij
hadden, over, mij tot de 5de mijlpaal te vergezellen. Het was een militair,
sterk als de hel. Omstreeks de tijd, dat de hanen beginnen te kraaien, gingen
we op weg; de maan scheen zo helder als de zon tegen de middag. Op een gegeven
ogenblik liep onze weg dwars door een begraafplaats; mijn metgezel verwijderde
zich in de richting van de zerken; ik zat een deuntje te neuriën en telde de
grafstenen. Toen ik weer naar mijn vriend keek, zag ik dat hij zich uitkleedde
en al zijn kleren aan de kant van de weg legde. Het hart klopte me in de keel;
ik stond er als een dode; want hij waterde en kringetje rondom zijn kleren en
veranderde plotseling in een wolf. Je moet niet denken, dat ik gekheid verkoop;
ik zou niet liegen, al kon ik er een erfenis mee verdienen. Maar, wat ik zeggen
zou, toen de man een wolf geworden was, liet hij een gehuil horen en vluchtte
het bos in. Eerst wist ik niet, waar ik was; toen kwam ik dichter bij, om zijn
kleren op te rapen, maar ziet, die waren versteend. Als ooit iemand haast van
angst stierf, dan was ik het. Toch trok ik mijn dolk, en de hele weg langs,
sloeg ik naar alle spoken, tot ik het landhuis van mijn vriendin bereikte. Ik
zag er uit als een geest, toen ik binnenkwam; 't was bijna mijn laatste uur geweest;
't zweet stroomde me langs mijn dijen; mijn ogen staarden als die van een dode,
ik kon maar niet tot mijzelf komen. Melissa was verwonderd, dat ik zo laat kwam
en zei: ,,Wanneer je vroeger was gekomen, dan had je ons tenminste kunnen
helpen; want een wolf is het erf binnengedrongen en heeft alle vee als een
slager geslacht. Maat hij heeft er geen plezier van gehad, al is hij ons
ontvlucht; want onze slaaf heeft zijn hals met een lans doorboord."
Toen ik dat hoorde, kon ik geen oog meer dicht doen, maar bij het aanbreken van
de dag rende ik als een bestolen herbergier naar het huis van mijn meester
Gaius terug. Aangekomen op de plaats, waar de kleren versteend waren, vond ik
niets dan bloed. Maar bij mijn thuiskomst lag de soldaat in zijn bed als een os,
en een geneesheer verbond zijn hals. Toen begreep ik, dat de man een weerwolf
was, en van dat ogenblik af kon ik geen stukje brood meer met hem eten, al
hadden ze me ook halfdood geslagen. Laten anderen er van denken wat ze willen;
maar als ik onwaarheid spreek, mag jullie beschermgeest mij straffen."
Toen allen ten hoogste verbaasd waren, zei Trimalchio:,,Ik wil geen kwaad
zeggen van je verhaal, maar ik heb er kippevel van (dat kun je gerust geloven),
omdat ik weet, dat Niceros geen leugens vertelt, want hij is betrouwbaar en
geen kletser. Maar ik zal jullie zelf ook eens een griezelige geschiedenis
vertellen; het is een verhaal, net zo merkwaardig als dat van de ezel, die op
het dak geklommen was. Toen ik nog een aardig slaafje was met lange haren (want
ik leefde van mijn jeugd af als een weeldepop), stierf de lievelingsslaaf van
mijn meester, een parel van een jongen, die volmaakt was in alle mogelijke
opzichten. Terwijl zijn bedroefde moeder hem beweende en een groot aantal onzer
aan de rouw deelnamen, begonnen plotseling vampiers voorbij te snorren; je
zoudt gedacht hebben, dat een haas door een hond werd nagejaagd. Nu hadden wij
in die dagen een Cappadociër, een lange, sterke slaaf, die de dapperheid zelf
was. Hij had een woedende stier wel kunnen optillen. Die kerel trok dapper zijn
zwaard en liep naar buiten, nadat hij zijn linker hand zorgvuldig had
ingewikkeld; daarop doorboorde hij een der vampiers ongeveer op deze plaats
(wat ik aanraak moge gezond blijven). Wij hoorden een gezucht, maar (ik wil niet
liegen) de vampiers zelf zagen wij niet. Toen de stumper terug was, wierp hij
zich op zijn bed: zijn hele lichaam was bont en blauw, alsof hij afgeranseld
was, omdat de boze hand hem had aangeraakt. Daarop sloten wij de huisdeur weer
en gingen aan het wek, maar toen de moeder het lichaam van haar overleden
zoontje wilde omarmen, zag zij al tastende een bundel stro. Hij had geen hart,
geen ingewanden, niets; de vampiers hadden de knaap geroofd en er een strooien
pop voor in de plaats gelegd. Jullie moet het werkelijk geloven: er bestaan
heksen: dat zijn de vampiers van de nacht, en zij keren alles ondersteboven.
Wat die lange slungel betreft, die kreeg nooit meer zijn gezonde kleur terug en
stierf enige dagen later krankzinnig."
Wij hoorden dit even verbaasd als goedgelovig aan, en terwijl wij de tafel
kusten, baden wij tot de vampiers, thuis te blijven gedurende de tijd, dat wij
van de maaltijd terug zouden keren.
Onderwijl kwam het mij voor, dat er meer lampen brandden dan eerst en dat de
aanblik van de gehele zaal veranderd was, toen Trimalchio zeide: ,,Zeg eens,
Plocamus, vertel jij niet eens wat?Amuseer jij ons niet eens? Anders was je
altijd gezelliger, je droeg dialogen uit toneelstukken voor, en zong liedjes.
Helaas, al die genoegelijke dingen behoren tot het verleden." ,,Mijn
tijd," antwoordde Plocamus, ,,is voorbij, sinds ik aan podagra lijd. Maar
toen ik nog jong was, had ik bijna de tering gekregen door 't vele zingen.
Dansen, voordragen en imiteren van de gesprekken in een kapperszaak! Wie was
daarin ooit mijn evenknie, behalve die Apelles alleen?" Toen bracht hij
zijn hand aan de mond en floot een afschuwelijk deuntje, waarvan hij later
zeide, dat het een Grieks liedje was.
Toen Trimalchio de trompetblazers had nagedaan, keek hij naar een slaafje, dat
hij Croesus noemde. Het was een knaap met zere ogen , en vuile tanden, die een
zwart, ongemanierd dik hondje in een groen windsel wikkelde; vervolgens legde
hij een half brood op de rustbank en voerde het dier, ofschoon het zich uit
verzadiging verzette. Hierdoor werd Trimalchio aan zijn plicht herinnerd, en
beval Scylax te halen ,,de beschermer van het huis en zijn bewoners ",
zoals hij zeide. Onmiddellijk werd een reusachtige hond aan een ketting
binnengebracht; er door een trap van de portier aan herinnerd, dat hij moest
gaan liggen, strekte hij zich vóór de tafel uit. Daarop wierp Trimalchio hem
een stuk wittebrood toe, en zei: ,,Niemand in 't hele huis houdt meer van mij
dan deze hond."
Daar de jongen zich ergerde, dat Trimalchio Scylax zo uitbundig prees, zette
hij zijn hondje op de grond, en hitste het op, om Scylax nijdig te maken. Deze
laatste vulde naar hondengewoonte de zaal met een afschuwelijk geblaf en
scheurde Croesus' "Parel" bijna in stukken. En de storing bleef niet
bij deze vechtpartij, maar er werd een kandelaar omgeworpen, die op de tafel
viel, alle kristallen glazen brak en verscheidene gasten met kokende olie
bespatte. Om niet de indruk te maken, dat hij boos was over de aangerichte
schade, gaf Trimalchio de knaap een kus en liet hem op zijn rug klimmen. De
jongen gebruikte zonder talmen Trimalchio als paard, klopte hem meermalen met
platte hand op de schouders en riep lachend: ,,Bok, bok, hoeveel hoorns?"
Toen Trimalchio wat bedaard was, gaf hij bevel, om in een grote schaal wijn te
mengen, en aan ieder der slaven, die voor de voeten der gasten zaten, een dronk
aan te bieden met de bepaling: ,,Wanneer een van hen niet wil drinken, giet hem
dan de wijn over zijn hoofd. Overdag ernstig, maar 's avonds vrolijk!"
Na deze uiting van vriendelijkheid volgden lekkernijen, waaraan ik niet dan met
walging terugdenk, als je mij geloven wilt. Want inplaats van lijsters zette
men ons vetgemeste kippen voor, en ganzeneieren ,,au capuchon", die
Trimalchio ons met alle geweld wilde laten opeten, terwijl hij zeide, dat de
kippen geen beentjes meer hadden.
Ondertussen klopte een lictor aan de deur van de zaal, en een in 't wit geklede
man, die zeker van een partijtje kwam, trad met een groot gevolg binnen. Door
zijn deftigheid geïntimideerd dacht ik, dat er een praetor binnen was gekomen.
Ik maakte daarom aanstalten om op te staan en mijn blote voeten op de grond te
zetten. Maar Agamemnon lachte om mijn onrust en zei: ,,Houd je toch kalm, gekke
kerel, het is Habinnas maar, een lid van de commissie der zesmannen, eigenaar
van een steenhouwerswerkplaats, die de naam heeft, dat hij de beste
grafmonumenten levert."
Door deze woorden gerustgesteld, ging ik weer aanliggen, terwijl ik de
binnentredende met grote verbazing aanstaarde. Hij was reeds aangeschoten, en
steunde met zijn handen op de schouders van zijn vrouw; hij was met
verscheidene kransen versierd en geparfumeerd water liep hem van zijn voorhoofd
tot in de ogen. Habinnas ging op de ereplaats zitten en vroeg dadelijk om wijn
en warm water. Trimalchio, die pleizier had in zijn vrolijkheid, liet een nog
grotere beker voor zichzelf komen en vroeg, hoe hij ontvangen was. ,,Het heeft
mij aan niets ontbroken," zeide hij, ,,alleen miste ik jou, maar in
gedachten was ik hier. Het was er keurig in orde, dat kan ik je verzekeren.
Scissa heeft een schitterend lijkmaal voor haar overleden slaaf gegeven, die
zij, toen hij gestorven was, vrij verklaard had. Ja, zij zal nog een aardig
sommetje aan de ontvanger der belastingen moeten betalen; want ze taxeerden de
overledene op 50.000 sestertiën. Maar niettegenstaande dat was het er heel
gezellig, ofschoon wij uitgenodigd werden de helft van hetgeen dat wij dronken
over zijn gebeente uit te gieten." ,,Maar, wat kregen jullie te
eten?" vroeg Trimalchio. ,,Ik zal het je vertellen," was het
antwoord, "als ik kan; want ik heb zo'n slecht geheugen, dat ik vaak mijn
eigen naam vergeet. Wij hadden dan eerst een zwijn, dat met worsten was
behangen, daar omheen saucijsjes en zeer goed toebereide kippenmaagjes, biet,
eigengebakken brood met zemelen, dat ik liever eet dan wittebrood, want er zit
meer voedsel in en het is gezonder voor me. Het daarop volgende gerecht was
koude taart met uitstekende Spaanse wijn, die op warme honing was gegoten. Van
de taart at ik niets, maar aan de honing deed ik me duchtig te goed. Rondom
lagen erwten en wolfsbonen, noten naar believen, en voor ieder één appel. Ik
heb er twee meegenomen; ziet, ik heb ze in mijn servet gerold, want als ik
niets voor mijn slaafje meebreng, krijg ik een standje. Maar daar herinnert
mijn vrouw mij aan iets. Als hoofdschotel hadden wij een stuk berenvlees; toen
Scintilla zo onvoorzichtig was geweest daarvan te proeven, moest zij zo hevig
vomeren, dat haar ingewanden er bijna uitkwamen. Ik zelf at er meer dan een pond
van, want 't vlees smaakt net als wild zwijn. Trouwens, ik zeg maar, als een
beer een mens opeet, met hoeveel meer recht mag een mens dan een beer opeten?
Tenslotte hadden wij zachte wijnkaas met mostsap, een alikruik voor ieder, en
stukje pens, lever op een schoteltje, eieren ,,au capuchon", raap en
mosterd en een schotel, gevuld met een soort koeienvla, en daarmee basta. Ook
werd een schaal ingemaakte olijven opgediend, waarvan sommigen brutaalweg drie
handen vol namen. De ham lieten wij maar onaangeroerd.
Maar vertel mij eens, waarom is Fortunata niet aan tafel?" ,,Ken je haar
zó slecht?" zei Trimalchio. ,,Als zij het tafelzilver niet opgeborgen
heeft, en de kliekjes niet onder de slaven heeft verdeeld, dan wil zij geen
druppel water in de mond nemen." ,,Maar", zei Habinnas, ,,als zij
niet aan tafel komt, ga ik er vandoor," en hij was reeds op 't punt om op
te staan en zou dit ook werkelijk gedaan hebben, als Fortunata niet op een
gegeven teken, door alle slaven meer dan viermaal was geroepen. Zij kwam dus,
terwijl haar bovenkleed door middel van een gele gordel zo hoog opgetrokken
was, dat daaronder een kersrode tunica tevoorschijn kwam, en ook haar gedraaide
beenringen en Griekse met goud geborduurde muiltjes. Daarop droogde zij haar
handen aan een doek, die aan haar hals hing, af en nam plaats op de sofa,
waarop Scintilla, de vrouw van Habinnas lag, en terwijl zij deze, die van
plezier in de handen klapte, een kus gaf, zeide ze: ,,Krijg ik je eindelijk
weer eens te zien?"
Op een gegeven ogenblik kwam het zover, dat Fortunata haar armbanden van haar
geweldig dikke armen afnam en ze aan Scintilla toonde, die een en al
bewondering was. Tenslotte ontdeed zij zich ook van haar beenringen en van haar
gouden haarnetje, waarvan zij zeide, dat het zuiver goud was. Trimalchio
bemerkte dit, liet al haar juwelen brengen en sprak: ,,Dat zijn nu de kluisters
van een vrouw: zo halen zij ons arme sukkels het vel over de oren. Zes en een
half pond moeten haar sieraden wegen. Toch heb ik zelf nog een armband van tien
pond, die uit evenveel goud vervaardigd is als de duizendste penning voor
Mercurius bedraagt." Tenslotte liet hij, opdat men hem niet voor een
opsnijder zou houden, een weegschaal halen en rondgeven, om de juistheid van
het genoemde gewicht te bewijzen. Scintilla was al even blufferig, want zij nam
van haar hals een gouden doosje, dat zij haar talisman noemde. Vervolgens
haalde zij daaruit twee oorbelletjes tevoorschijn, gaf die op haar beurt aan
Fortunata om ze te bekijken, en zeide: ,,Dank zij mijn man heeft niemand
mooiere." ,,Nou ja," zei Habinnas, ,,je hebt me 't vel over 't been
gehaald om die glazen bonen voor je te kunnen kopen. Werkelijk, als ik een
dochter had, zou ik haar de oren afsnijden. Wanneer wij geen vrouwen hadden,
zou alles even goedkoop zijn als modder, maar nu moet een mens meer uitgeven
dan hij er voor terug krijgt."
Ondertussen lachten de vrouwen, die aangeschoten waren, tegen elkaar, kusten
elkander in hun dronkenheid, terwijl de een op haar ijver als huisvrouw blufte,
en de andere over de nukken en de onverschilligheid van haar man klaagde.
En terwijl ze elkaar zo omstrengelden, stond Habinnas ongemerkt op, pakte de
voeten van Fortunata beet en wierp haar achterover op de sofa. ,,O,o,"
riep zij, toen haar onderkleed boven haar knieën wegschoof. Daarop wierp zij
zich aan Scintilla's borst, en verborg haar blozend gezicht in haar zakdoek.
Enige ogenblikken daarna, toen Trimalchio het dessert had laten brengen, namen
de slaven alle tafels weg en vervingen ze door anderen; vervolgens strooiden
zij zaagsel, dat met saffraan en vermiljoen gekleurd was, op de vloer en, wat
ik nog nooit tevoren gezien had, tot poeder gewreven moscovisch glas.
Tegelijkertijd zeide Trimalchio: ,,Ik had met dit gerecht tevreden kunnen zijn,
want jullie hebt het dessert al. Maar als er nog iets lekkers is, breng het dan
maar."
Ondertussen bootste een Alexandrijnse knaap, die een warme drank inschonk, een
nachtegaal na, waarbij Trimalchio voortdurend riep: ,,Nu iets anders, nu iets
anders." Toen kwam een ander amusement. De slaaf, die aan Habinnas' voeten
zat, brulde plotseling, ik denk op bevel van zijn heer, met zingende stem:
,,Vast op zijn doel afgaande, bereikte intussen Aeneas
't Diep van de zee met zijn schepen."
Nooit werden mijn oren door een scheller geluid getroffen; want behalve dat hij
nu eens luider, dan weer zachter met een barbaarse uitspraak voordroeg, voegde
hij er Atellaanse verzen bij, zodat zelfs Vergilius mij toen voor het eerst van
mijn leven tegenstond. Maar, toen de slaaf ophield, klapte Habinnas in de
handen, en zei: ,,Hij is nooit op school geweest, maar ik heb hem onderwijs
gegeven, door hem met straatventers te laten omgaan. Daarom heeft hij zijns
gelijke niet in het imiteren van muilezeldrijvers en marktschreeuwers. Hij
heeft deksels veel talenten: hij is schoenmaker, kok, bakker, kortom een slaaf,
die van alle markten thuis is. Maar hij heeft twee fouten; had hij die niet,
dan was hij volmaakt: hij is besneden en hij snurkt, want dat hij scheel kijkt,
vind ik zo erg niet; Venus kijkt net zo. Daarom kan hij niets geheim houden;
want zijn oog staat bijna nooit stil. Driehonderd denaren heb ik voor hem
betaald."
Hierop viel Scintilla de spreker in de rede met de woorden: ,,Je hebt nog lang
niet al de kunsten van die deugniet van een slaaf verteld, 't is je koppelaar,
maar ik zal zorgen, dat hij gebrandmerkt wordt." Hierom lachte Trimalchio:
,,Ik zie, dat Habinnas een echte Cappadociër is; hij laat zich niets ontgaan,
en hij heeft groot gelijk, vind ik. Na zijn dood kan niemand hem dat bezorgen.
Maar jij moet niet jaloers zijn, Scintilla. Geloof me, ik ken de vrouwen ook.
Zo waar ik gezond mag blijven, ik had ook de gewoonte om de vrouw van mijn
meester wat op te vrijen, zodat de baas er zelfs iets van merkte. Daarom
stuurde hij me maar gauw naar 't land als opzichter. En nou tong, houd je mond,
dan krijg je brood."
De schavuit haalde nu, alsof hij geprezen was, een lamp van aardewerk uit zijn
kleed te voorschijn en bootste meer dan een half uur lang trompetters na,
waarbij Habinnas hem met gezang begeleidde, terwijl hij de benedenlip met zijn
hand omlaag trok. Tenslotte ging de knaap naar het midden van de zaal en
imiteerde nu eens met gespleten rietjes de koorfluitisten, dan weer vertoonde
hij in een koetsiersmantel, met de zweep in de hand, taferelen uit het leven
der muilezeldrijvers, tot Habinnas hem tot zich riep, hem kuste en te drinken
gaf met de woorden: ,,Bravo, Massa, ik geef je een paar laarzen cadeau."
Er zou aan deze verveling geen einde zijn gekomen, als men niet het laatste gerecht
had binnengebracht. Het waren lijsters, van fijn tarwemeel gemaakt, met
rozijnen en noten gevuld. Daarop kwamen kweeperen met doornen doorprikt om op
egels te gelijken. Deze gerechten hadden er desnoods nog mee door gekund, als
niet een veel wonderlijker schotel gemaakt had, dat wij liever van honger
hadden willen sterven, dan daarvan te proeven. Toen namelijk, zoals wij
geloofden, een gemeste gans was opgedragen, waaromheen vissen en allerlei
soorten vogels lagen, zei Trimalchio: ,,Vrienden, alles, wat ge nu op tafel
ziet staan, is uit dezelfde grondstof gemaakt." Mijn gezond verstand
vertelde mij onmiddellijk, wat het was, en terwijl ik mij tot Agamemnon wendde,
zei ik: ,,Ik zou mij niet verwonderen, als dat alles van mest of modder gemaakt
is. Ik heb met het Saturnaliafeest te Rome dergelijke pseudo-diners
gezien."
Ik was nog aan het spreken, toen Trimalchio zeide: ,,Zo waar als ik in
kapitaal, maar niet in corpulentie hoop toe te nemen, heeft mijn kok al deze
lekkernijen uit varkensvlees gemaakt. Er is geen onbetaalbaarder kerel op de
wereld. Je behoeft maar te kikken, en hij maakt een vis van een varkenspens,
een duif van een stuk spek, een tortelduif van ham, en een kip van een
heupbeen. Daarom heb ik hem in een geestig ogenblik een alleraardigste naam
gegeven: hij heet n.l. ,,Daedalus." En omdat hij zo handig is, heb ik hem
uit Rome messen van Norisch staal als een geschenk meegebracht." Hij liet
ze dadelijk halen en bekeek ze met bewondering. Ook stond hij ons toe, om eens
aan onze wangen te proberen, hoe scherp ze waren.
Plotseling kwamen twee slaven binnen, die bij de fontein aan het krakelen waren
geweest; ze hadden ieder nog een kruik aan hun hals hangen. Toen Trimalchio
tussen de twistenden recht gesproken had, waren ze met zijn uitspraak ontevreden,
en elk van beiden sloeg met zijn stok de kruik van de ander in stukken. Door de
brutaliteit van deze dronken kwajongens ontsteld, richtten wij onze blikken
naar de vechtersbazen en bemerkten nu, dat uit de buik der kruiken oesters en
kammosselen vielen, die een knaap verzamelde en op een schaal presenteerde. De
talentvolle kok wilde bij deze verrassingen niet achterblijven; daarom bood hij
op een zilveren braadroostertje alikruiken aan en zong daarbij met een
trillende en afschuwelijke stem.
Ik schaam mij haast te vertellen, wat er nu gebeurde: want volgens een in ons
land ongebruikelijke gewoonte brachten jonge slaven met lange haren zalfolie in
een zilveren wasbekken binnen, en wreven daarmede de voeten der aanliggenden,
nadat zij eerst de benen en de enkels der gasten met kransjes hadden omwonden.
Daarop goot men een scheutje van diezelfde olie in het wijnvat en in de lampen.
Reeds begon Fortuna lust te krijgen om te dansen, reeds deed Scintilla, niet
meer in staat om te praten, niets dan in haar handen klappen, toen Trimalchio
tot een paar slaven zeide: ,,Ik sta je toe, Philargyrus, en ook jou, Cario, al
ben je een begunstiger der ,,Groenen", om aan tafel plaats te nemen; zeg
aan je vriendin Menophila, dat ze ook mee mag eten."
Om het in één woord te zeggen, wij werden bijna van onze sofa's verdreven: zo
geheel werd de zaal door de slaven in beslag genomen. Ik herinner mij tenminste
nog goed, dat de kok, die de gans uit varkensvlees had gemaakt, één plaats
hoger dan ik aanlag; ik herkende hem aan de lucht van pekel en saus, die hij
uitwasemde. Niet tevreden dat hij aan tafel was, begon hij dadelijk de
toneelspeler Ephesus na te bootsen, en wilde telkens opnieuw met zijn meester
wedden, dat de ,,Groenen" bij de aanstaande wedrennen de eerste prijs zouden
winnen.
Verheugd over deze weddenschap sprak Trimalchio: ,,Vrienden, slaven zijn toch
ook mensen; zij hebben dezelfde melk gedronken als wij, al heeft het ongeluk
hen ook omlaag geduwd. Maar zij zullen nog tijdens mijn leven water drinken als
vrije mannen. Kort en goed, ik maak ze in mijn testament allen vrij.
Philargyrus vermaak ik bovendien een stuk land benevens zijn medeslavin, aan
Cario een huis, om te verhuren, de 5 procent en een bed met toebehoren.
Fortunata maak ik tot mijn universele erfgename en ik vertrouw ze mijn vrienden
toe. Dit alles maak ik hierom bekend, opdat mijn slaven mij nu reeds
liefhebben, alsof ik dood was." Reeds begonnen allen hun meester voor zijn
goedheid te bedanken, toen hij alle scherts vergat en bevel gaf, dat men hem
zijn testament moest brengen, hetgeen hij van het begin tot het einde onder het
gezucht van heel de slavenstoet voorlas.
Daarop keek hij naar Habinnas en sprak: ,,Zeg eens, waarde vriend, zul je mijn
grafmonument bouwen, zoals ik het je verzocht heb? Ik wil in ieder geval, dat
je aan de voeten van mijn beeld mijn schoothondje, kransen en zalfflesjes
uitbeeldt, en verder alle gevechten van Petraites, opdat, dank zij jou, de
herinnering aan mij na mijn dood moge voortleven; bovendien moet 't monument
aan de voorkant 100 voet lang zijn en 200 diep. Ik wil ook allerlei soort
vruchtbomen om mijn as hebben en wijnstokken, met kwistige hand geplant, want
het is onzinnig, wanneer men bij zijn leven zijn huis mooi inricht, maar niet
zorgt voor de woning, waarin men veel langer moet verblijf houden. En daarom
wil ik er vóór alles dit opschrift op geplaatst hebben: ,,Dit monument kan niet
't eigendom van mijn erfgenamen worden." Verder zal ik er in mijn
testament voor zorgen, dat ik na mijn dood niet beledigd word. Ik zal n.l. een
van mijn vrijgelatenen aanstellen om mijn graf te bewaken, dat 't volk 't niet
komt bevuilen. Ook wil ik, dat je aan de voorkant van mijn monument schepen
uithouwt, die met volle zeilen varen, en mijzelf in een rechterstoel in een
gewaad met purperen strepen en met vijf gouden ringen, terwijl ik geld uit een
zakje onder het volk werp; want je weet, dat ik openbare maaltijden gegeven heb
en aan elke gast twee denaren. Je kunt, als je wilt, ook een eetzaal daarop
afbeelden, waarin het hele volk zich aan de spijzen te goed doet. Aan mijn
rechterzijde moet je het beeld van Fortunata plaatsen met een duif in de hand;
zij moet ook een schoothondje vasthouden, dat aan haar gordel vastgebonden is;
beeld er verder mijn kleine slaafje op af, en grote kruiken, goed met gips
gesloten, opdat de wijn er niet uit kan vloeien. Ook mag je er een gebroken urn
op uithouwen en daarop een snikkende knaap; en in het midden een zonneuurwerk,
opdat ieder, die de tijd moet weten, vanzelf mijn naam leest, of hij wil of niet.
Wat het grafgeschrift betreft, moet je eens zien, of je dit geschikt vindt:
,,Hier rust C. Pompeius Trimalchio Maecenatianus. In zijn afwezigheid werd hij
tot zesman gekozen. Hoewel hij te Rome tot alle decuriën toegang had kunnen
hebben, heeft hij dit niet gewild. Hij was vroom, dapper en trouw. Zijn begin
was klein, zijn einde groot. Hij heeft 30 millioen sestertiën nagelaten en toch
nooit een wijsgeer gehoord. 't Ga u goed." - ,,U ook."
Toen Trimalchio dit gezegd had, vergoot hij vele tranen; ook Fortunata weende,
Habinnas weende, en eindelijk weenden alle slaven, van wier jammerklachten de
hele zaal weerklonk, alsof zij bij een begrafenis waren genodigd. Ook mijn
tranen begonnen reeds te vloeien, maar opeens riep Trimalchio: ,,Daar wij zo
goed weten, dat wij sterven moeten, waarom zullen wij dan niet van het leven
genieten? Zowaar als ik hoop jullie allemaal gelukkig te zien, stel ik je voor
een bad te gaan nemen; ik durf te wedden, dat 't jullie niet zal spijten. Het
is zo warm als een oven." ,,Juist," zei Habinnas, ,,ik wil niets
liever dan uit één dag twee maken"; daarop stond hij met blote voeten op
en volgde Trimalchio, die van plezier in zijn handen klapte.
Ik keek Ascyltos eens aan, en sprak: ,,Wat vind je ervan? Wat mij betreft, als
ik het bad maar zie, krijg ik al een ongeluk. Laten wij doen, alsof wij hun
voorbeeld volgen, en terwijl de anderen naar het bad gaan, er in de drukte
tussenuit knijpen."
Daar wij het hierover eens waren, kwamen wij, terwijl Giton ons door de
zuilengang leidde, bij de deur, waar de hond aan de ketting ons met zulk een
vervaarlijk geblaf ontving, dat Ascyltos van schrik in het waterbassin viel. En
ook ik, die al voor de geschilderde hond op de loop was gegaan, werd in mijn
dronkenheid, doordat ik de zwemmer te hulp wilde komen, eveneens in het water
getrokken. Maar wij werden gered door de portier, die door zijn russenkomst de
hond tot bedaren bracht en ons, bibberend van koude, op het droge trok. Giton
was al lang op zeer vernuftige wijze goede vriendjes met de hond geworden; hij
had n.l. alles, wat wij hem van de maaltijd gegeven hadden, aan het blaffende
ondier toegeworpen, en de hond, door de lekkere beetjes afgeleid, was weer kalm
geworden. Maar toen wij nog huiverig aan de portier vroegen, om ons door de deur
naar buiten te laten gaan, zeide deze: ,,Je vergist je, als je gelooft, dat je
het huis daar verlaten kunt, waar je er ingekomen bent. Nog nooit is een gast
door de deur, waardoor hij binnentrad, uitgelaten; door de ene deur komt men
binnen, door de andere gaat men er uit."
Wat moesten wij ongelukkige stakkers doen, die in een nieuw soort doolhof
ingesloten waren, en voor wie het bad al een uitkomst begon te worden? Wij
verzochten dus zelf aan de portier, om ons naar het bad te brengen, en nadat
wij onze kleren uitgetrokken hadden, die Giton bij de ingang begon te drogen,
traden wij de badkamer binnen; deze was nauw en deed aan een kuip van een
koudwaterbad denken. Trimalchio stond hierin rechtop. Maar ook hier waren wij
gedwongen zijn onuitstaanbare kletspraat aan te horen; want hij zeide, dat
niets prettiger was dan zich, zonder een groot aantal mensen om zich heen, te
baden, en dat hier vroeger een bakkerij was geweest. Toen hij vervolgens
vermoeid was gaan zitten, opende hij, door het weergalmen van de badkamer tot
zingen genodigd, zijn dronkenmansmond tot aan het plafond en begon de liedjes
van Menecrates te mishandelen, zoals de mensen vertelden, die zijn gezang
konden verstaan. De overige gasten liepen hand aan hand rond het bassin en
brulden van het lachen; de andere trachtten met op de rug gevouwen handen, door
middel van hun tanden ringen van de grond te rapen of spanden zich in, om op
hun knieën liggend, het hoofd zóver achterover te buigen, dat zij 't uiterste
puntje van hun tenen konden aanraken. Wij daalden intussen, terwijl de anderen
zich op deze wijze amuseerden, in de badkamer af, die men voor Trimalchio met
stoom gevuld had.
Toen onze dronkenschap voorbij was, werden wij in een andere eetzaal gebracht,
waar Fortunata haar kunstvoorwerpen zo had geplaatst, dat ik lampen en bronzen
figuurtjes van vissers en tafels opmerkte, die geheel van zilver waren gemaakt,
vergulde bekers van aardewerk, en wijn, die voor onze ogen door een zak
vloeide. Toen sprak Trimalchio: ,,Vrienden, vandaag heeft een van mijn slaven
voor het eerst zijn baard laten scheren; 't is, ik zeg 't zonder te bluffen,
een degelijke jongen, die ieder kruimeltje bewaart. Laat ons daarom drinken, en
aan tafel blijven, tot het licht wordt." Toen hij dat zeide, kraaide een
haan. Door dit geluid verschrikt, liet Trimalchio wijn onder de tafel gieten en
ook de lamp met ongemengde wijn besprenkelen. Hij nam ook zijn ring van de
linkerhand en deed hem aan zijn rechter en zeide: ,,Deze trompetter heeft niet
zonder reden het signaal gegeven. Er moet ergens een brand zijn of een
sterfgeval in de buurt. De hemel beware ons ervoor. Maar wie die
ongeluksprofeet hier brengt, krijgt een drinkgeld." Nauwelijks had hij dit
gezegd, of de haan uit de omgeving werd binnengebracht. Trimalchio liet hem slachten,
om hem in een ketel te laten koken. De knappe kok, die kort te voren uit
varkensvlees vogels en vissen had gemaakt, sneed hem in stukken en wierp hem in
de ketel; en terwijl Daedalus de kokende bouillon in een pan schepte, wreef
Fortunata in een bukshouten molen peper fijn.
Nadat deze lekkernij genuttigd was, wendde Trimalchio zich tot 't
dienstpersoneel en zeide: ,,Hoe staat het met jullie? Hebt jullie nog niet
gegeten? Gaat weg, dan kunnen anderen aan de beurt komen." Een nieuwe
afdeling volgde hen dus op, terwijl de vertrekkende slaven riepen: ,,Vaarwel,
Gaius," en de binnentredende: ,,Gegroet Gaius."
Hierop werd onze vrolijkheid voor de eerste maal verstoord; toen n.l. te midden
der nieuwe slaven een lang niet onaardig slaafje binnenkwam, vloog Trimalchio
op hem af en kuste hem lange tijd. Hierop begon Fortunata, om 't spreekwoord
,,leer om leer" te bewijzen, Trimalchio te beschimpen, noemde hem een
vuilik en een ploert, omdat hij zijn lusten niet kon bedwingen, en voegde hem
tenslotte zelfs de woorden: ,,Jou hond van een kerel," toe. Trimalchio, op
zijn beurt, door haar scheldwoorden beledigd, wierp haar een beker in het
gezicht. Zij schreeuwde, alsof zij een oog verloren had, en hield haar bevende
handen voor haar gelaat. Ook Scintilla was ontsteld en bedekte haar
zenuwachtige vriendin met een deel van haar bovenkleed. Ook hield het
gedienstige slaafje een koele kruik tegen haar wang, waarop zij wenend en
steunend haar gezicht legde. Maar Trimalchio zeide: ,,Wat is dat? Die
straatzangeres heeft zeker geen geheugen. Ik heb haar van de stellage op de
slavenmarkt afgehaald, en haar tot een dame gemaakt. Maar zij blaast zich op,
als de kikvors in de fabel, en vreest geen ogenblik, haar geluk weer te
verliezen. 't Is een stuk hout, geen vrouw. Maar wie in een bordeel geboren is,
droomt niet van een paleis. Zowaar als m'n beschermgeest mij genadig moge zijn,
ik zal wel zorgen, dat dat prekerige manwijf een toontje lager zingt. En als ik
dan bedenk, dat ik, domme kerel, een erfdochter met 10.000.000 sestertii had
kunnen trouwen! Je weet, dat ik niet lieg. Agatho, die de dame naast ons
parfumerieën levert, nam mij eens ter zijde en sprak: ,,Ik geef je de raad, je
geslacht niet te laten uitsterven." Maar ik, goeie lobbes die ik ben,
wilde niet wispelturig schijnen en dreef me zelf de bijl in mijn been. Maar
enfin, ik zal zorgen, dat je mij nog eens met je eigen vingers uit het graf
wilt graven, om mij vergiffenis te vragen. En om je van nu af aan te laten
voelen, wat je jezelf aangedaan hebt, zeg ik dit: Habinnas, ik wil niet, dat je
haar beeld op mijn grafmonument plaatst, opdat ik niet na mijn dood nog haar
gekrakeel heb te verdragen. En verder om haar te laten zien, dat ik 't haar
betaald kan zetten, wil ik niet, dat ze mij een kus geeft, als ik dood ben."
Na dit onweer begon Habinnas hem te smeken, om niet langer boos te zijn.
,,Niemand van ons," zei hij, ,,is zonder fouten. Wij zijn nu eenmaal
mensen, geen goden." Scintilla zei met tranen in de ogen hetzelfde,
terwijl zij Trimalchio bij zijn voornaam Gaius noemde en hem bij zijn
beschermgeest bezwoer, om toegevend te zijn. Nu kon Trimalchio zijn tranen niet
langer bedwingen, en zeide: ,,Habinnas, zowaar als je hoopt van je kapitaal te
genieten, verzoek ik je, als ik onrecht gedaan heb, mij in het gezicht te spuwen.
Ik heb 't knaapje niet om zijn schoonheid gekust, maar omdat hij zo braaf is :
hij kent al de tafel van 10, hij leest gemakkelijk een boek, hij heeft van zijn
zakgeld een Thracische wapenuitrusting gekocht, hij heeft zich een armstoel
aangeschaft en twee bekers. Is dat nu niet een jongen om mee te dwepen? Maar
Fortunata verbiedt me dat. Denk je er zo over, opgeblazen schepsel? Nou, ik
geef je de raad, eens goed over je geluk na te denken, en niet te maken, dat ik
mijn tanden moet laten zien, dotje; anders zul je eens ondervinden, hoe driftig
ik kan worden. Je kent me; wat ik eenmaal besloten heb, zit als met een ijzeren
bout vastgenageld. Maar laat ons om het heden denken. Ik verzoek u, goede
vrienden, maakt plezier; eens ben ik ook geweest, wat jullie bent, maar door
mijn flinkheid heb ik het zover gebracht. Het verstand alleen maakt ons tot
mensen, al het andere is gekheid. ,,Koop verstandig, verkoop verstandig",
dat is mijn devies; anderen hebben natuurlijk een andere opvatting. Ik barst
haast van succes. Maar ben jij nu nog aan 't huilen, schreeuwlelijkerd? Ik zal
wel maken, dat je binnen een minuut niet weet, waar je blijft. Maar, wat ik
zeggen wilde, ik dank mijn vermogen aan mijn degelijkheid. Toen ik uit
Klein-Azië kwam, was ik niet groter dan die candelaber daar. Kort gezegd, ik
was gewoon, mij iedere dag aan hem te meten, en, om spoedig een baard te
krijgen, smeerde ik mijn lippen met lampenolie in. Veertien jaar lang was ik de
lieveling van mijn heer. 't Is toch geen schande te doen, wat de patroon
beveelt. Ondertussen maakte ik het ook mijn meesters naar de zin. Jullie
begrijpt, wat ik bedoel, maar ik zwijg er over, want ik houd niet van
opsnijden. Daarop werd ik, door de wil der goden, zelf baas in huis; ik had
mijn meester, om zo te zeggen, in mijn zak. In één woord gezegd, hij benoemde
mij tezamen met de keizer tot erfgenaam; ik kreeg een kapitaaltje, voldoende
voor een senator. Maar geen mens heeft ooit genoeg, en ik had zin om handel te
drijven. Om kort te gaan, ik rustte vijf schepen uit, nam een lading wijn in
(die was toen goud waard) en zond de schepen naar Rome. Men zou gedacht hebben,
dat ik 't zelf zo gelast had, want alle vijf schepen leden schipbreuk; het is
geen praatje, maar de volle waarheid. Op één dag verslond Neptunus 30 millioen.
Geloven jullie, dat ik de moed verloor? Neen, bij Hercules, ik merkte het
verlies net zo min, alsof er niets gebeurd was. Ik liet grotere, betere, en
fortuinlijker schepen bouwen, zodat iedereen mij een ondernemend man noemde.
Gij weet, hoe groter de schepen zijn, hoe sterker. Ik laadde er wijn, spek,
bonen, parfumerieën en slaven in. Bij deze gelegenheid deed Fortunata iets
edelmoedigs; zij verkocht al haar gouden sieraden en al haar kleren en stelde
mij 100 goudstukken ter hand. Dit was, als 't ware het zuurdeeg voor mijn
vermogen. Wat de goden willen, gebeurt spoedig. Met één reis won ik tien
millioen. Onmiddellijk daarna kocht ik alle landerijen op, die het eigendom van
mijn vroegere meester geweest waren. Ik liet een huis bouwen, en kocht lastdieren,
om ze weer met winst te verkopen: alles wat ik maar ter hand nam, ging in de
hoogte alsof er gist in zat. Toen ik meer bezat dan mijn hele vaderstad, dacht
ik: ,,nou moet het uit zijn." Ik trok mij uit de handel terug en leende
geld aan vrijgelatenen. En ziet, toen ik mijn zaken reeds aan de kant wilde
doen, haalde een sterrenwichelaar, die juist in ons stadje was gekomen, een
Griek (Serapa was zijn naam) knap genoeg om in de raad der Goden te zitten, mij
over, om in de handel te blijven. Die man vertelde mij allerlei dingen, die ik
mij zelf niet meer herinnerde; hij zette mij alles van a tot z uiteen; hij
keek, om zo te zeggen, door mij heen; het ontbrak er nog maar aan, dat hij mij
opnoemde, wat ik de vorige dag gegeten had. Je zou gezegd hebben, dat hij zijn
hele leven met mij samengewoond had. Was jij er niet bij, Habinnas, toen hij
mij vertelde: Je hebt je vrouw uit de goot opgehaald, je bent niet gelukkig in
de keuze van je vrienden. Niemand bewijst je een wederdienst. Je bezit
uitgestrekte landerijen. Je koestert een slang aan je boezem. En, wat ik jullie
eigenlijk niet moest meedelen, hij voorspelde mij ook, dat ik nog 30 jaar, 4
maanden en 2 dagen te leven had. Bovendien zou ik spoedig een erfenis krijgen.
Dat zegt mijn horoscoop. Als het mij nog lukt mijn bezittingen met Apulië te
verbinden, dan heb ik het in mijn leven ver genoeg gebracht. Ondertussen heb ik
onder de bescherming van Mercurius dit huis laten bouwen. Zoals ge weet, het
was eerst een krot, nu is het een tempel. Het heeft 4 grote eetzalen, 20
slaapkamers, 2 marmeren galerijen, boven een eetzaal, een slaapkamer voor
mezelf, het boudoir van die slang daar, een goede kamer voor de portier, en
logeerkamers voor de gasten.
Toen mijn vriend Scaurus hier kwam, wilde hij nergens liever logeren, en hij
heeft zelf een villa aan het zeestrand, een erfstuk van zijn vader. En dan is
er nog veel meer, dat ik u zal laten zien. Geloof mij: heb je maar een stuiver,
dan geld je ook niet meer dan een stuiver; heb je geld, dan heb je naam.
Vroeger was de spreker een armzalige kikvors, nu is hij een grote meneer.
Stichus, breng mij mijn doodskleren eens, waarin ik begraven wil worden. Haal
ook de zalf en een proefje uit die kruik met wijn, waarmee mijn beenderen
moeten gewassen worden."
Stichus treuzelde niet lang en bracht onmiddellijk een wit kleed, en een toga
met purperen zoom in de eetzaal. Wij moesten daarop alles betasten, of het van
goede wol was. Toen zei Trimalchio: ,,Stichus, pas op, dat daar geen muizen en
motten aan komen; anders laat ik je levend verbranden. Ik wil prachtig begraven
worden, en het hele volk moet mij zegenen." Toen opende hij een fles
nardusolie, bestreek ons allen daarmee en zeide: ,,Ik hoop, dat die olie na
mijn dood even goed zal doen als bij mijn leven." Vervolgens liet hij wijn
in het mengsel gieten en sprak: ,,Stelt je nu eens voor, dat ge bij mijn
lijkplechtigheid zijt uitgenodigd." De geschiedenis werd intussen in de
hoogste graad onuitstaanbaar, toen Trimalchio, die stomdronken was, bevel gaf -
een nieuwe marteling voor onze oren - dat de horenblazers in de eetzaal moesten
komen. Hij strekte zich boven op een stapel kussens in zijn volle lengte tot
over de rand van zijn sofa en zeide: ,,Neemt nu eens aan, dat ik gestorven ben,
en zegt nu wat roerends." De horenblazers speelden nu treurmarsen. Vooral
één van hen, de slaaf van die begrafenis-ondernemer, die in dit gezelschap tot
de deftigste mensen behoorde, blies zulk een fortissimo, dat hij de hele buurt
wekte. Daarom geloofden de brandweermannen, die in de omtrek de wacht hielden,
dat Trimalchio's huis in brand stond, braken snel de deuren open en begonnen
met emmers water en bijlen een ontzettend lawaai te maken, zoals dat bij hun
werk hoort. Wij maakten van deze gunstige gelegenheid gebruik, lieten Agamemnon
in de steek en gingen aan de haal, alsof het huis werkelijk in brand stond.
Hier eindigt de Cena Trimalchionis, het beroemdste fragment van Petronius' Saturae.
«» |