Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Sint Benedictus
BenedictusRegel

IntraText CT - Text

  • Hoofdstuk 4 WELKE DE WERKTUIGEN ZIJN OM GOED TE HANDELEN
Previous - Next

Click here to hide the links to concordance

Hoofdstuk 4 WELKE DE WERKTUIGEN ZIJN OM GOED TE HANDELEN

 

1   Op de eerste plaats: God de Heer liefhebben met geheel zijn hart, met geheel zijn ziel, met al zijn kracht.

2   Vervolgens: de naaste gelijk zichzelf.

3   Vervolgens: niet doodslaan,

4   geen overspel plegen,

5   niet stelen,

6   niet begeren,

7   geen vals getuigenis geven.

8   Alle mensen eren,

9   en wat men zelf niet wil ondergaan, dat ook een ander niet aandoen.

10            Zichzelf verloochenen om Christus te volgen.

11            Zijn lichaam onder tucht houden;

12            zich niet vastklampen aan het genot;

13            van vasten houden.

14            De armen verkwikken,

15            naakten kleden,

16            zieken bezoeken,

17            doden begraven,

18            in beproeving te hulp komen,

19            bedroefden troosten.

20            Zich verre houden van een wereldse wijze van handelen.

21            Niets boven de liefde van Christus stellen.

22            Zijn toorn niet de vrije loop laten.

23            Niet met zijn misnoegdheid bezig blijven.

24            Geen valsheid in het hart dragen,

25            geen gehuichelde vredeskus geven,

26            de liefde niet loslaten.

27            Niet zweren uit vrees voor meineed;

28            met hart en mond de waarheid spreken.

29            Geen kwaad met kwaad vergelden.

30            Geen onrecht doen, maar zelfs aangedaan onrecht geduldig verdragen.

31            Zijn vijanden liefhebben.

32            Die ons verwensen geen kwaad terugwensen, maar hun veeleer het goede toewensen.

33            Vervolging verduren omwille van de gerechtigheid.

34            Niet hoogmoedig zijn,

35            niet verslaafd zijn aan wijn,

36            niet onmatig zijn bij het eten,

37            niet vlug toegeven aan slaap.

38            Niet lui zijn,

39            niet klaagziek;

40            geen kwaadspreker zijn.

41            Alles wat men verhoopt, aan God toevertrouwen.

42            Als men in zichzelf iets goed waarneemt,

       het aan God toeschrijven, niet aan zichzelf.

43            Het kwaad daarentegen altijd als zijn eigen werk erkennen en het aan zichzelf wijten.

44            De dag van het oordeel vrezen;

45            beducht zijn voor de hel.

46            Met heel de drang van zijn hart naar het eeuwig leven verlangen.

47            De dood dagelijks voor ogen hebben.

48            Altijd waken over zijn levenswandel.

49            Overtuigd zijn, dat God ons overal ziet.

50            Slechte gedachten die in het hart opkomen,

       onmiddellijk tegen Christus te pletter slaan

       en ze aan de geestelijke vader bekend maken.

51            Zijn mond behoeden voor slechte taal.

52            Er niet van houden om veel te spreken.

53            Niet praten óm te praten of om de lachlust op te wekken.

54            Er niet van houden om voortdurend of luidruchtig te lachen.

55            Graag luisteren naar een lezing, die onze heiliging ten goede komt.

56            Zich dikwijls ter aarde buigen om te bidden.

57            Zijn vroegere zonden dagelijks met tranen en zuchten

       in het gebed aan God belijden.

58            Zich voortaan van die zonden beteren.

59            Geen gevolg geven aan de begeerten van het vlees.

60            Zijn eigen wil haten.

61            In alles gehoorzamen aan de bevelen van de abt,

       ook als deze - wat verre zij - zelf anders zou handelen,

       indachtig dit gebod van de Heer:

       "Doet wat zij zeggen, maar doet niet wat zij doen".

62            Niet heilig willen heten voor men het is, maar het eerst zijn, om met meer recht zo genoemd te worden.

63            De geboden Gods dagelijks metterdaad volbrengen.

64            Liefde hebben voor de kuisheid.

65            Niemand haten.

66            Niet jaloers zijn.

67            Geen gevolg geven aan gevoelens van afgunst.

68            Er niet op uit zijn om tegen te spreken.

69            Alle ophef vermijden.

70            De ouderen eren.

71            De jongeren liefhebben.

72            In de liefde van Christus voor zijn vijanden bidden.

73            Zich vóór zonsondergang weer verzoenen met wie men onenigheid heeft.

74            En nooit aan Gods barmhartigheid wanhopen.

75            Dit zijn de werktuigen van het geestelijk ambacht.

76            Als wij ze dag en nacht zonder ophouden hanteren en op de dag van het oordeel weer inleveren, zal de Heer ons het loon uitbetalen, dat Hijzelf beloofd heeft:

77            "Geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord,

       wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben".

78            De werkplaats waar wij dit alles met toeleg moeten doen, is de beslotenheid van het klooster en het bestendig verblijf binnen de gemeenschap.

 

 




Previous - Next

Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by Èulogos SpA - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License